-
Notifications
You must be signed in to change notification settings - Fork 1
Expand file tree
/
Copy pathnl_big
More file actions
3057 lines (3057 loc) · 950 KB
/
nl_big
File metadata and controls
3057 lines (3057 loc) · 950 KB
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
17
18
19
20
21
22
23
24
25
26
27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
45
46
47
48
49
50
51
52
53
54
55
56
57
58
59
60
61
62
63
64
65
66
67
68
69
70
71
72
73
74
75
76
77
78
79
80
81
82
83
84
85
86
87
88
89
90
91
92
93
94
95
96
97
98
99
100
101
102
103
104
105
106
107
108
109
110
111
112
113
114
115
116
117
118
119
120
121
122
123
124
125
126
127
128
129
130
131
132
133
134
135
136
137
138
139
140
141
142
143
144
145
146
147
148
149
150
151
152
153
154
155
156
157
158
159
160
161
162
163
164
165
166
167
168
169
170
171
172
173
174
175
176
177
178
179
180
181
182
183
184
185
186
187
188
189
190
191
192
193
194
195
196
197
198
199
200
201
202
203
204
205
206
207
208
209
210
211
212
213
214
215
216
217
218
219
220
221
222
223
224
225
226
227
228
229
230
231
232
233
234
235
236
237
238
239
240
241
242
243
244
245
246
247
248
249
250
251
252
253
254
255
256
257
258
259
260
261
262
263
264
265
266
267
268
269
270
271
272
273
274
275
276
277
278
279
280
281
282
283
284
285
286
287
288
289
290
291
292
293
294
295
296
297
298
299
300
301
302
303
304
305
306
307
308
309
310
311
312
313
314
315
316
317
318
319
320
321
322
323
324
325
326
327
328
329
330
331
332
333
334
335
336
337
338
339
340
341
342
343
344
345
346
347
348
349
350
351
352
353
354
355
356
357
358
359
360
361
362
363
364
365
366
367
368
369
370
371
372
373
374
375
376
377
378
379
380
381
382
383
384
385
386
387
388
389
390
391
392
393
394
395
396
397
398
399
400
401
402
403
404
405
406
407
408
409
410
411
412
413
414
415
416
417
418
419
420
421
422
423
424
425
426
427
428
429
430
431
432
433
434
435
436
437
438
439
440
441
442
443
444
445
446
447
448
449
450
451
452
453
454
455
456
457
458
459
460
461
462
463
464
465
466
467
468
469
470
471
472
473
474
475
476
477
478
479
480
481
482
483
484
485
486
487
488
489
490
491
492
493
494
495
496
497
498
499
500
501
502
503
504
505
506
507
508
509
510
511
512
513
514
515
516
517
518
519
520
521
522
523
524
525
526
527
528
529
530
531
532
533
534
535
536
537
538
539
540
541
542
543
544
545
546
547
548
549
550
551
552
553
554
555
556
557
558
559
560
561
562
563
564
565
566
567
568
569
570
571
572
573
574
575
576
577
578
579
580
581
582
583
584
585
586
587
588
589
590
591
592
593
594
595
596
597
598
599
600
601
602
603
604
605
606
607
608
609
610
611
612
613
614
615
616
617
618
619
620
621
622
623
624
625
626
627
628
629
630
631
632
633
634
635
636
637
638
639
640
641
642
643
644
645
646
647
648
649
650
651
652
653
654
655
656
657
658
659
660
661
662
663
664
665
666
667
668
669
670
671
672
673
674
675
676
677
678
679
680
681
682
683
684
685
686
687
688
689
690
691
692
693
694
695
696
697
698
699
700
701
702
703
704
705
706
707
708
709
710
711
712
713
714
715
716
717
718
719
720
721
722
723
724
725
726
727
728
729
730
731
732
733
734
735
736
737
738
739
740
741
742
743
744
745
746
747
748
749
750
751
752
753
754
755
756
757
758
759
760
761
762
763
764
765
766
767
768
769
770
771
772
773
774
775
776
777
778
779
780
781
782
783
784
785
786
787
788
789
790
791
792
793
794
795
796
797
798
799
800
801
802
803
804
805
806
807
808
809
810
811
812
813
814
815
816
817
818
819
820
821
822
823
824
825
826
827
828
829
830
831
832
833
834
835
836
837
838
839
840
841
842
843
844
845
846
847
848
849
850
851
852
853
854
855
856
857
858
859
860
861
862
863
864
865
866
867
868
869
870
871
872
873
874
875
876
877
878
879
880
881
882
883
884
885
886
887
888
889
890
891
892
893
894
895
896
897
898
899
900
901
902
903
904
905
906
907
908
909
910
911
912
913
914
915
916
917
918
919
920
921
922
923
924
925
926
927
928
929
930
931
932
933
934
935
936
937
938
939
940
941
942
943
944
945
946
947
948
949
950
951
952
953
954
955
956
957
958
959
960
961
962
963
964
965
966
967
968
969
970
971
972
973
974
975
976
977
978
979
980
981
982
983
984
985
986
987
988
989
990
991
992
993
994
995
996
997
998
999
1000
Dit stuk is geschreven tegen Kléon, den volksleider der Atheners. Hij wordt voorgesteld als een pasgekochte Paphlagonische slaaf, in het huis van den heer Volk (Démos), door wien hij boven de anderen wordt voorgetrokken. Zijn twee medeslaven smeden nu tegen hem samen, en halen, volgens de woorden van een orakel, den worstverkooper
Agorákritos over, tegen hem op te treden, en voortaan over het Atheensche volk te heerschen. In den vorm van een koor verschijnen nu ook de Atheensche ridders (vertegenwoordigers van den ridderstand), en smaden Kléon, die zich tracht te verdedigen door ze bij den raad (der vijfhonderd) aan te klagen van eene samenzwering tegen den staat. Er
heeft een scheldpartij en een gevecht tusschen den leêrlooier en den worsthandelaar plaats, en de dichter maakt van de gelegenheid gebruik om zijn hart tegenover het publiek uit te storten, om de voorvaderen te prijzen, en door een lofgedicht op de paarden tevens den ridderstand
in de hoogte te steken. De strijd der twee tegenstanders in den raad eindigt met een overwinning van den beulingventer, die het van Kléon telkens in onbeschaamdheid wint. Terwijl het koor zich hierover verheugt, wil de razende Kléon thans zijn heer Volk (Démos) zelf laten beslissen. De knorrige oude heer verschijnt, en bepaalt dat de wedstrijd op de Pnyx (den Heuvel) zal plaats vinden, waartoe het ridderkoor een opwekkend lied zingt.--Nadat de heer Volk (Démos) op de steenen zitplaatsen der Pnyx plaats heeft genomen, vangt de tweede, de ernstige strijd aan. Beide volksvrienden krijgen nu beurtelings het
woord, en bespreken den oorlog en de staatkundige gebeurtenissen van den dag. De een tracht den ander in flikflooierij van meester Volk en bespottelijke dreigementen te overvleugelen. Kléon wil zich door
orakelspreuken redden. De worstenman heeft ze ook. Zij zullen gehaald worden, Démos zal ze aanhooren en dan beslissen; na welk tooneel het koor den naderenden val van Kléon voorspelt.--In de volgende tooneelen wint het de worsthandelaar in uitlegging der spreuken. Kléon geeft zich nog niet gewonnen, hij stelt voor heer Volk om de beurt ten eten te geven. Wie dat het best doet, zal overwinnaar zijn. Een koorlied, dat dit tooneel besluit, schildert op dichterlijke wijze het ware
karakter van den veranderlijken heer Démos. Thans verschijnen beiden met manden vol eten. Kléon schijnt het door fijnere spijzen te winnen, maar de beulingventer weet zich
door list en overmoed den zege te verschaffen. Eindelijk geeft Kléon zich gewonnen, het orakel had hem reeds lang geleden zijn val voorspeld, en treurig en moedeloos zinkt hij in elkaar. Agorákritos, de worsthandelaar, gaat met heer Volk weg, ten einde hem door zijn kunst te verjongen. Na een tusschenzang van het koor, komen beiden geheel veranderd terug, Agorákritos als een edel vaderlander, Démos
een flinke Marathonstrijder, in plaats van een zwakke grijsaard, zooals vroeger. De eerste wordt in zijn nieuw ambt bevestigd, Kléon veroordeeld om aan de poorten der stad te gaan schreeuwen tegen
badmeesters en lichte vrouwen. De Ridders is opgevoerd te Athene, in Februari 424 v. C. De dichter ontving voor dit stuk den eersten prijs, en overwon zijne twee
mededingers, waaronder den talentvollen blijspelschrijver Kratinos. PERSONEN. Slaven van Volk (Démos). Eerste Anonymus (Nikias) Tweede Anonymus (Demosthenes) Een Paphlagoniër (Kléon). Agorákritos, worsthandelaar. Koor van Ridders.
Volk (Démos), een oude heer. Stille Personen: Slaven (aan het einde van het stuk). De eerste acteur (Aristofanes zelf) speelt voor den worsthandelaar.
De tweede acteur speelt voor Nikias, later voor den Paphlagoniër. De derde acteur speelt voor Demosthenes, later voor Volk. Het stuk speelt te Athene, vóór het huis van Volk.
EERSTE TOONEEL. Men ziet het huis van den ouden Volk, daarvóór een slaaf (Nikias), die pijnlijk heen en weer loopt. Eerste Slaaf (Nikias), daarna Tweede Slaaf (Demosthenes). Eerste Slaaf. Tarátaratá, o wat een rampen, tátaratá! Die nieuwgekochte beroerde Paphlagoniër "Verderven hem de goden met z'n wanbeheer!"
Want sedert hij hier in het huis gedrongen is Wordt ieder slaaf door hem geranseld, eeuwigdoor. (De tweede slaaf komt te voorschijn)
Tweede Slaaf. Die allerberoerdste Paphlagoniër, weg met hem En met z'n streken. Eerste Slaaf. Hoe maak jij het, ellendige? Tweede Slaaf. Slecht, evenals jij.
Eerste Slaaf. Kom dan maar hier, dan zullen wij "Een duetje samen fluiten, Olympos nagebootst." Samen (fluitende).
Tu-tu, tu-tu, tu-tu, tu-tu, tutu, tutu! Tweede Slaaf. Vergeefs het klagen! Doen we niet beter en zoeken eerst Een uitkomst voor ons beiden, zonder weegeklaag?
Eerste Slaaf. Wat moet er gebeuren? Tweede Slaaf. Jij moet 't zeggen. Eerste Slaaf. Neen, zeg jij 't! Ik wil niet vechten.
Tweede Slaaf. Bij Apol, ik evenmin. Eerste Slaaf. "Kunt gij niet raden wat mijn plicht te zeggen is?" Tweede Slaaf. Vat moed en spreek, als jij het zegt, zeg ik het ook.
Eerste Slaaf. Ik ben geen sladood! Vertel mij hoe ik het zeggen kan Een beetje gemaniereerd, zooals Euripides.
Tweede Slaaf. Neen, neen, neen, neen, verkoop in 's hemels naam geen kool, Maar zoek een middel om te ontvluchten aan dien heer. Eerste Slaaf. Zeg dan: we-loopen, achter elkaar, precies als ik.
Tweede Slaaf. We-loo-pen, daar, ik zeg het al. Eerste Slaaf. Zeg dan daarna Het woordje: weg, daarachter! Tweede Slaaf. Weg! Eerste Slaaf. Zóó is het goed!
Doe of je 't woordje langzaam aftrekt, en zeg eerst: We-loopen-, daarna zeg je: weg, en dan heel gauw....
Tweede Slaaf. We-loopen, weg, we-loopen weg, we-loopen weg! Eerste Slaaf. Mooi zoo, niet waar! Tweede Slaaf. Jawel, bij Zeus! maar voor m'n huid Voorspelt het mij een leelijke toekomst. Eerste Slaaf. Wel, waarom? Tweede Slaaf. Omdat bij dien aftrek licht m'n huid verloren gaat. Eerste Slaaf. Het beste voor ons beiden dunkt mij nu te zijn "Ons neer te werpen voor een heilig godenbeeld."
Tweede Slaaf. Welk godenbeeld? geloof jij vast dat er goden zijn? Eerste Slaaf. Welzeker! Tweede Slaaf. En wat is dan jouw bewijs daarvoor? Eerste Slaaf.
Omdat ik gehaat ben bij de goden. Klopt dat niet? Tweede Slaaf. Je overtuigt me. Maar 'k zoek tòch een andren weg! Wat denk je, wil ik de zaak vertellen aan 't publiek?
Eerste Slaaf. Dat is niet kwaad. We vragen één ding aan 't publiek, (tot het publiek gewend):
Om asjeblieft te laten blijken aan d'acteurs, Als men pleizier heeft van onze verzen en ons spel. Tweede Slaaf. Ik zal vertellen. (tot het publiek) Weet dan, publiek, we hebben 'n heer, Heel boersch en driftig, 'n boonenverslinder, onbesuisd, Meneer Volk van den Heuvel, een humeurigen ouweheer, En 'n beetje doof. Die kocht op d'eersten van de maand Een slaaf, Paphlagoniër, en leerlooier van beroep,
Maar ondertusschen een verduiveld grooten schelm. Die kerel had den aard van ons oudje snel doorgrond, Die beroerde Paphlagoniër! vleide onzen heer, Hij streelde en likte, hij bedroog en kamde 'm op, Met allerlei flikvlooierijen sprak hij zóó: "Mijnheer Volk, neem 'n bad, maar eerst nog even één proces, "Pak aan, en slik, en eet. Daar heb j' een kwartje vast!
"Wil ik je eten klaarzetten?"--Dan pakt hij weg Wat een van ons al voor z'n heer heeft klaargemaakt, En maakt zich lief. Zóó had ik eens verleden jaar Een lekkren koek gebakken met Spartaansch beslag, Maar hij kwam listig aangeloopen, pakte 'm weg, En bood de roomtaart die ikzelf geslagen had! Ons jaagt hij weg, en niemand anders mag zijn heer
Bedienen. Hij staat met een leêren krans op 't hoofd, En jaagt, terwijl z'n meester eet, de sprekers weg. Hij zingt orakels, en de ouwe orakelt meê. Zoodra hij hem met Moeder de Gans heeft volgepropt,
Beginnen z'n kunsten. Al de slaven in het huis, Belastert hij, en het gevolg is: slaag voor ons! De Paphlagoniër loopt voortdurend woedend rond, En stookt en kuipt, en roept op eens bij voorbeeld uit: "Zie je wel hoe Hylas door mijn toedoen slagen krijgt?
"Houdt mij te vrind, of anders ga je kapot vandaag!" En wij--moeten geven. Doen we 't niet, de ouwe geeft Ons zeker dan nog tienmaal erger voor de broek.
(tot den ander): Dus laten wij maar gauw bedenken, beste vrind, Wat weg ons nù te kiezen staat, en wie ons helpt. Eerste Slaaf. Je vraagt, wat weg? We loopen weg, dat's ònze weg.
Tweede Slaaf. O neen, want alles weet de Paphlagoniër, Zelf ziet hij toe op alles. Met z'n eene been Staat hij in Pylos, met z'n ander op de Pnyx. Z'n beenen houdt hij altijd zóóver uit elkaar, Dat feitelijk z'n achterste is in Gapenburg,
Z'n handen in Bedel-, en z'n geest in Stelenburg. Eerste Slaaf. Dan is het best dat wij maar doodgaan! Tweede Slaaf. Laat ons zien, Hoe wij dan sterven kunnen vol van dapperheid. Eerste Slaaf. Ja zeker, hoe te sterven vol van dapperheid? Het beste is misschien, wij drinken stierenbloed.
Het meest bevalt me de dood nog van Themistokles. Tweede Slaaf. Of ongemengden wijn, den goeden god ter eer, Want daaruit volgt allicht een goed en wijs besluit.
Eerste Slaaf. Wat ongemengd? Dus is het jou om drank te doen? Nam ooit een man, die dronken was, een wijs besluit?
Tweede Slaaf. Jij bent een echte geheelonthoudingsleuteraar. Durf jij beweren dat de wijn 't verstand beneemt? Is er soms iets, dat meer vermag, dan juist de wijn? Kijk, als de menschen lekker aan het drinken zijn, Dan worden ze rijk, ze winnen altijd hun proces, Ze zijn gelukkig, en ze doen hun vrienden goed. Breng mij ten minste drommels gauw een kan vol wijn,
'k Besproei mijn geest, en zal een groote wijsgeer zijn! Eerste Slaaf. O hemel, wat bezorg j' ons nog met jouw gedrink! Tweede Slaaf.
Breng 't gauw, m'n beste! (Nikias gaat het huis binnen) Zie hoe 'k achterover lig! Ben 'k eenmaal dronken, dan bestrooi ik het tooneel Met invalletjes en meeninkjes en plannetjes. (Demosthenes ligt achterover. Nikias komt terug met een kan en een beker).
TWEEDE TOONEEL. Dezelfden. Eerste Slaaf. Gelukkig maar, dat ik niet binnen ben betrapt, Toen ik dien wijn stal! Tweede Slaaf. Wat doet de Paphlagoniër?
Eerste Slaaf. Hij vrat zouten koeken, openlijk verkochte waar, En snurkt nu dronken achterover op zijn leêr. Tweede Slaaf. Komaan dan, schenk me gauw wat onvermengden wijn, Om hier te plengen. Eerste Slaaf.
Plengen wij den goeden God! (hij vult den beker, en reikt hem aan Demosthenes) Drink, drink den rooden wijn gewijd aan Pramnos' god! (Demosthenes drinkt) Tweede Slaaf. O goede god, van u koom' wijsheid, niet van mij!
Eerste Slaaf. Wat is er nu nog meer te doen? Tweede Slaaf. Steel drommels gauw De orakels, die de Paphlagoniër binnen heeft, Zoolang hij slaapt. Eerste Slaaf. Het zal gebeuren, maar ik vrees
Dat dan op eens uit den goeden god een slechte groeit. (Hij gaat naar binnen) Tweede Slaaf.
Komaan, ik zet den kan vol wijn weer aan den mond. (Nikias komt met een rol terug)
DERDE TOONEEL. Dezelfden. Eerste Slaaf. De Paphlagoniër ligt ronkend neêr en stinkt, Hij merkte niet dat ik het heilig orakel stal, Dat hij zoo trouw bewaarde. Tweede Slaaf.
'n Slimme guit ben jij! Geef hier, laat mij het lezen. En schenk jij mij in, Een beetje gauw. Laat mij eens zien, wat staat er in? O gulden spreuken! reik mij gauw den beker aan.
Eerste Slaaf. Laat zien, wat zegt 't orakel? Tweede Slaaf. Schenk me nóg eens in. Eerste Slaaf. Is dat één van de spreuken "Schenk me nòg eens in?" Tweede Slaaf. O Bakis!
Eerste Slaaf. Wat is er? Tweede Slaaf. Kerel, schenk me nòg eens in! Eerste Slaaf.
Ik denk dat die Bakis nog al diep in 't glaasje keek. Tweede Slaaf. Vervloekte Paphlagoniër, heb je dit bewaard, 't Orakel vreezend dat je zelf betrof?
Eerste Slaaf. Hoe dan? Tweede Slaaf. Omdat er duidelijk staat, dat hij verloren is. Eerste Slaaf. Wat zeg je? Tweede Slaaf. Kijk eens, duidelijk staat het in de spreuk
Dat er allereerst een vlashandelaar is opgestaan, Die al de zaken van den staat besturen zal. Eerste Slaaf. Eén handelaar dus. En wat komt er dan? Spreek op.
Tweede Slaaf. Een schapenhand'laar zal daarna de tweede zijn. Eerste Slaaf. Twéé handelaars dus. Wat gebeurt er dan met dien? Tweede Slaaf. Hij zal besturen, tot er nòg een beroerder vent Dan hij zal komen, en dan gaat hij op de flesch. Dán komt er een hand'laar in huiden, een Paphlagoniër, Een dief, een schreeuwer, met 'n stem als 'n waterval. Eerste Slaaf.
Moet dan de schapenverkooper weêr te gronde gaan Door een leêrverkooper? Tweede Slaaf. Zeker. Eerste Slaaf.
Wat een ongeluk! Zou er soms niet nòg een andre verkooper ergens zijn? Tweede Slaaf. Er is er nog één, die kerel heeft een prachtig vak. Eerste Slaaf. Wat voor een beroep? Tweede Slaaf. Moet ik het zeggen? Eerste Slaaf. Ja, bij Zeus!
Tweede Slaaf. Een worstverkooper zal het zijn, die hèm verdrijft. Eerste Slaaf. Een worstverkooper? Bij Poseidon, wat een vak. Waar zullen wij dat mannetje eens zoeken gaan? Tweede Slaaf. Wij gaan hem zoeken! (Er verschijnt een worstverkooper of beulingventer, met een plank, en worsten dragende).
Eerste Slaaf. Kijk, daar komt hij waarlijk aan, Hoe godstoevallig! naar de markt! Tweede Slaaf. O beste vrind,
O worstverkooper, heerlijke kerel, kom bij ons, Kom op 't tooneel, en red geheel de stad en ons!
VIERDE TOONEEL. Dezelfden. De worstverkooper. Worstverkooper. Wat is er? Waarom roep je? Tweede Slaaf. Kom toch hier, en hoor Hoe'n welgelukzalig en voorspoedig man je bent. Eerste Slaaf. Zeg, neem jij hem maar dadelijk z'n worstplank af. Vertel hem dàn, wat het orakel hem voorspelt, En ik ga op post staan bij den Paphlagoniër.
(Nikias af) VIJFDE TOONEEL. Demosthenes. De worstverkooper. Tweede Slaaf. Kom, leg jij eerst maar je bagaadje op den grond, En groet daarna eerbiedig d'aarde en de goôn.
Worstverkooper (legt z'n boel neer). Ziedaar. Wat is er? Tweede Slaaf. O gelukkige, rijke man! In 't heden niets, maar morgen overmachtig groot! "O hertog van het zalige Atheensche volk!"
Worstverkooper. Laat jij me liever darmen schoonmaken, beste vrind, En beuling verkoopen. Waarom hou je me voor den gek? Tweede Slaaf. Wat voor een beuling, gekke kerel? Kijk 't publiek! "Ziet gij geschaard der volken rijen?"
Worstverkooper. Ja, dat zie 'k. Eerste Slaaf. "Van al die scharen zult gij zelf de hertog zijn," En van de markt, en van de havens, en de Pnyx,
Den raad zal je trappen, klein zal je houden de generaals, En binden en boeien, en vrouwen pakken op 't stadhuis. Worstverkooper. Ik? Tweede Slaaf. Jij, welzeker! je ziet nog niet eens je heele macht. Stap op het tooneel, ga op je eigen worstplank staan. Zie d'eilanden die in een kring gelegen zijn.
Worstverkooper (doet dit). Die zie ik. Tweede Slaaf. De handelsplaatsen en de schepen ook? Worstverkooper. Ik zie ze. Tweede Slaaf.
Ben je dan niet een overgelukkig man? Kijk nu eens met je rechteroog naar Karië, En met je linker moet je tot Karthago zien.
Worstverkooper. Ik verrek m'n oogen, noem je dat soms m'n geluk? Tweede Slaaf. Dat niet, maar alles wordt op ùwen wenk verkocht. Gij wordt in waarheid, zóó als 't oud orakel zegt, Een man van aanzien. Worstverkooper.
Zeg mij eerst, hoe zal ik ooit Van aanzien worden, als ik niets dan worst verkoop? Tweede Slaaf.
Juist dàt is de reden dat j' een man van aanzien wordt, Je komt van de markt, je fopt de menschen, bent brutaal. Worstverkooper.
Maar 'k vind niet dat ik zelf zoo'n aanzien waardig ben. Tweede Slaaf. Wat zeg je? vindt je zelf niet dat j' een rang verdient? Het komt me voor dat jij jezelven heel goed kent. Ben je soms van nette ouders?
Worstverkooper. Bij de goden, neen! Dat zou 'k je kunnen leeren.... Tweede Slaaf. Zalig is dan uw lot, Dan zijt g' uitnemend voor het staatsbestuur geschikt. Worstverkooper. Maar beste man, 'k bezocht niet eens de lagere school, De letters ken ik, maar ik schrijf ze als een smid. Tweede Slaaf.
Het eenige nadeel is dat je nog een beetje schrijft! Om 't volk te leiden heeft men nù geen lagere school Meer noodig, en ook geen menschen meer van goed fatsoen, Wèl dommen en schaamteloozen! Weiger niet het lot, Dat in 't orakel door de goôn is voorbeschikt. Worstverkooper. Hoe zijn de woorden van 't orakel?
Tweede Slaaf. Bij de goden! mooi, Heel dubbelzinnig en heel wijsgeerig is voorspeld: "Doch als de aadlaar van leêr, kromsnavelig, met zijn gebekte "Den bloeddorstigen draak, den heer Domkop, vreeslijk gepakt heeft, "Dan gaat meteen ook uw stank, Paphlagonische looier, verloren, "Aan de verkoopers van worst schenkt macht en aanzien de godheid, "Wen ze niet liever besluiten om steeds dóór worst te verkoopen."
Worstverkooper. Slaat dàt nu op mij? leg dat ereis uit, m'n beste vrind. Tweede Slaaf. "Adelaar van leêr" is de Paphlagoniër dien je kent.
Worstverkooper. En wat is "kromsnavelig?" Tweede Slaaf. Dat heeft ongeveer den zin, Dat hij met zijn handen, als een snavel, alles gapt. Worstverkooper. En wat is de "draak?" Tweede Slaaf.
O, dat is duidelijk als de zon. Een draak is lang, en ook een worst is altijd lang, En bloed verslindt een worst zoowel als iedre draak. Hij meent dus dat de draak den leêren adelaar
Zal overwinnen, "wen hij niet geeft om zijn geklets." Worstverkooper. Dat wen, daar kan ik aan wennen! maar ik sta verbaasd, Hoe iemand als ik het heele volk regeeren kan!
Tweede Slaaf. Een makkelijk werkje! Ga maar door met je beroep! Haal alle zaken, of het een worst is, door mekaar, Ja alles, en geef altijd maar aan 't volk zijn vet, Dan houdt je het zoet met woordjes uit de keukentaal. Volksleiderstalenten heb je overigens genoeg:
Een stem als een oordeel, lage komaf, aan de markt gewend, Dat 's alles wat er voor een staatsman noodig is! Het Delfisch orakel, en de andre, stemmen saam. Zet gauw een krans op, en offer aan God Domkop nu!
Overwin dien andren kerel. Worstverkooper. Maar wie staat mij bij In dit gevecht? de goede standen zijn bang voor hem, En 't arme volk, dat rilt en beeft al voor z'n stem. Tweede Slaaf.
Er zijn nog duizend ridders, heele flinke lui, Die haten hem, en helpen ù door dik en dun, Dan verder alle burgers die ontwikkeld zijn, En van het publiek hier ieder die fatsoenlijk is, En ik met hen, en de godheid zelf zal mèt u zijn. Wees maar niet bang, z'n tronie is niet nagevolgd!
Geen van de kappers heeft, uit pure vrees voor hem, Z'n masker durven maken. Toch zal iedereen Hem gauw herkennen. Het publiek is slim genoeg.
(De Paphlagoniër komt naar buiten). Worstverkooper. O wee, o wee, daar komt de Paphlagoniër. ZESDE TOONEEL. Dezelfden. De Paphlagoniër. Paphlagoniër. Je zult er geen pleizier van hebben, bij de goôn. Dat jullie tegen 't volksbestuur zoo samenzweert! Wat moet hier toch die beker uit Chalkidike? Jelui wilt zeker den afval der Chalkidiërs? Naar den donder, naar den bliksem, ontrouw slaventuig.
Tweede Slaaf. (tot den worsthandelaar) Wat vlucht je? waarom blijf je niet? o edele Koopman in worsten laat den staat niet in den steek! (tot het koor:)
Komt te hulp, o eedle ridders. Simon en Panaetios! Nu is 't tijd, rukt allen aanstonds naar den rechtervleugel op! (tot den worstverkooper) Zie, men nadert. Op, verdedig u en keer terstond weerom! Uit dien stofwolk kunt gij leeren dat men oprukt allen saam!
Kom te hulp dan, en verdrijf hem, jaagt hem samen op de vlucht! (De worsthandelaar keert terug, en valt met Demosthenes samen den Paphlagoniër aan, terwijl het koor de dansplaats binnentrekt). (Het koor van 24 ridders trekt, in twee deelen gesplitst, de dansplaats
binnen). ZEVENDE TOONEEL. De vorigen. Het koor. Koor (eerste halfkoor). Sla den schelm, den grooten deugniet, ridderstandbezwadderaar, Tollenaar, slokop en vraatziek, alverslinder als een kolk, Ja, een schelm, een schelm der schelmen; dikwijls dient dat woord gezegd, Sla hem, geef hem op zijn baadje, en gooi alles op den kant, Haat hem, zooals wij hem haten, val hem aan en schreeuw maar toe,
Laat hem niet den dans ontsnappen, want geen uitweg is hem vreemd, En hij zal zijn biezen pakken als de slimme Eukrates.
De Paphlagoniër. O, mijn beste heeren rechters, kwartjesvinders zooals ik, Die ik help aan uw bestaantje, 't zij ik recht of onrecht schreeuw, Komt te hulp, ik word geslagen door een samenzweerderstroep! Koor (tweede halfkoor). Dat verdien je, staatsgeldvreter, vóór het lot nog heeft beslist! Jij, die alle ambtenaren uitknipt als een stuk citroen, En bevoelt als waren 't vruchten, rijp of onrijp naar den tast, En als je iemand hebt gevonden, die bij de bondgenooten hoort,
Haal j' 'm uit den Chersonesos, en je pakt terstond hem aan, Tot j' 'm onder hebt gekregen en geheel vernietigd hebt! Jij! je aast op alle burgers, die nog dommer zijn dan jij, Mits ze rijk zijn, niet fatsoenlijk, komen ze in je kraam te pas!
Paphlagoniër. Ga jelui mij óók vervolgen? Juist voor jullie krijg ik slaag! Want ik wou juist voor gaan stellen, dat het méér dan billijk is Om een standbeeld op te richten voor den dapp'ren ridderstand.
Koor. Wat een zwetser, wat een draaier! Zie je niet, hoe hij ons fopt, Ons trakteert als oude kerels, altijd zich in bochten draait? Mocht hij even overwinnen, toch is 't gauw met hem gedaan, Want wij stooten als de bokken, en verplett'ren hem het been. Paphlagoniër.
Staat, ik roep u ten getuige, hoe 'k door beesten word vertrapt. Koor. Schreeuw maar door, dat is het middel dat je macht schonk in den staat!
Paphlagoniër. Ik zal schreeuwen, door mijn schreeuwen drijf ik jullie op de vlucht! Koor. Schreeuw eens harder dan deze kerel, dan verdien je een hoera! Maar kan hij brutaler schreeuwen, dan wacht ons de zegekoek! Paphlagoniër. Deze kerel? Ik verdenk hem, 'k breng hem daadlijk voor 't gerecht, Want hij levert aan den vijand drijvend materiaal van soep!
Worstverkooper. Ik zal jòu voor den rechter brengen, jij die met een leege maag Op 't stadhuis komt, en er uitloopt met een dikken vollen buik! Tweede Slaaf. O, hij smokkelt verboden waren, zeker brood en vleesch en visch! Perikles had dát niet noodig, die gaf nooit zoo'n ergernis.
Paphlagoniër. Jij gaat zeker naar den bliksem. Worstverkooper. Als jij schreeuwt, ik driemaal harder. Paphlagoniër. Ik zal schreeuwen dat je omvalt. Worstverkooper. Ik zal buldren dat je dondert.
Paphlagoniër. 'k Klaag je aan, als je gaat dienen. Worstverkooper. Als een hond laat ik je grienen.
Paphlagoniër. Ik ontmasker je als zwetser. Worstverkooper. Ik zal jou het beentje lichten. Paphlagoniër. Heb je lef om m' aan te kijken? Worstverkooper.
Wat? mijn ouders zijn jou gelijken! Paphlagoniër. Ik vermoord je, als je durft kikken. Worstverkooper. 'k Stop je in mest en laat je stikken. Paphlagoniër. Ik ben 'n dief--durf jij 't beweren? Worstverkooper. Ik kan stelen--dieven leeren-- En nog valsche eeden zweeren! Paphlagoniër. Op mìjn terrein durf jij je wagen? 'k Zal je voor den raad doen dagen, 'k Zal je met belasting plagen,
Dat je je leugen en valschen eed, Alles uit je darmen zweet! Koor. Aaklige vent, Dief zonder end,
En schreeuwer, je bent--mislijk! Jou en je kliek Kent het publiek, Je schreeuwt je nog ziek--gewislijk! Ambtenarentractementen En belastingdocumenten, Advokaten en kliënten, Weten hoe brutaal je bent, Van je schreeuwen en je knoeien, Je bedillen en bemoeien, Doe j' Athene overvloeien, Alles raakt hier op z'n end. Aanvoerder van het koor. Jij hebt met je stemgebulder heel Athene leeggepompt,
En gelijk een visscher azend kijk je naar belasting uit! Paphlagoniër. 'k Ben allang reeds op de hoogte, wie mij dat toch heeft gelapt. Worstverkooper. Zooals jij in 't schoenenlappen, zoo ben ik in 't worstenvak.
Jij die huid van slechte beesten handig te versnijden weet En dan rondvent aan de boeren, of het dikke zolen zijn, Voordat één dag is verloopen, is het leêr al uitgezet! Tweede Slaaf. Zeus zal m'n getuige wezen, dat heeft hij ook mij gelapt, Al de lui van mijn gemeente en m'n vrienden lachten m' uit, Vóór ik Pergase bereikte zwom ik reeds in iedren schoen. Koor.
Kléon! je bent Zoo'n slimme vent, Want 't is bekend Sinds eeuwen: Nu en altijd, Gepeupel leidt Brutaliteit En schreeuwen! Aanvoerder van het koor. Door je invloed in Athene melk je iedren vreemdeling, Als hij 't ziet, vergaat van woede 't zoontje van Hippódamos. Koor.
Maar er is een vent gekomen, Die voor jou niet hoeft te schromen, Die jou spoedig heeft genomen, Veel gemeener nog dan jij, Ik verheug mij in zijn boosheid,
Want door listen en door loosheid, En door sluwe schaamteloosheid Dringt hij jou geheel op zij! Aanvoerder van het koor.
Kom jij nu, ridder van de worst, en toon je fluks een kerel, Toon ook dat een beschaafde man nu niets meer heeft te zeggen.
ACHTSTE TOONEEL. Dezelfden. Worstverkooper. Verneemt dan allen uit mijn mond, wat dát is voor een burger! Paphlagoniër. Laat mij toch gaan.
Worstverkooper. Ik zeker niet, 'k stam uit Jan Rap als uwees! Tweede Slaaf. Als hij niet buigt, zeg dan er bij dat j' ouders ook Jan Rap zijn! Paphlagoniër. Laat mij nu los. Worstverkooper.
Bij Zeus! Paphlagoniër. Bij Zeus! Worstverkooper. Neen, nooit, bij god Poseidon! (Zij vechten) Paphlagoniër. Ik barst van woede en ergernis. Worstverkooper. Dàt zal ik je zelfs niet toestaan! Tweede Slaaf.
Sta, bij de goden, hem toch toe van ergernis te stikken! Paphlagoniër. Wie geeft je zoo'n brutaliteit om tegen mij te spreken?
Worstverkooper. Omdat ik spreken kan als jij, en lekkre soep kan koken. Paphlagoniër. Jij spreken? weet je wat je kan? wanneer er in je handen Een stuk rauw vleesch gevallen is, dàt kan je goed behandelen. Met jou is het precies gegaan als met de meeste menschen. Als jij tegen een mindren man 'n procesje hebt gewonnen, Dan loop je nachten over straat en leutert tegen je zelven,
Drinkt niets dan water, schettert hard, verveelt je beste vrienden, En denkt dan dat je een spreker bent. Je bent een groote domkop. Worstverkooper. En wat heb jij gedronken dan, zoodat geheel Athene
Z'n mond moet houden en alleen naar jou geschetter luistert? Paphlagoniër. Wie stel je over tegen mij? 'k Ben iemand die in staat is Om na een lekker vischdiner, met echten wijn beklonken, De veldheers, die in Pylos zijn, als snollen te behandelen. Worstverkooper.
En ik kan 'n heelen ossenmaag met darmen van een varken Inslokken, en het vet daarna, met ongewasschen handen, En dàn nog al de redenaars, en Nikias, overdond'ren. Tweede Slaaf. Al wat je zegt bevalt me wel, maar één ding valt me tegen, Dat als jij aan de regeering komt, jij 't vet alleen wilt slurpen. Paphlagoniër. Jij zult geen snoeken eten, en de Milesiërs verjagen. Worstverkooper.
Ik eet een beest z'n pooten op, en pacht dan zilvermijnen. Paphlagoniër. Ik spring op eens, en met geweld breng ik den raad ten onder. Worstverkooper. Ik stop je achterste als een worst, en sla je op je donder. Paphlagoniër.
Jou pak ik eerst bij 't achterste, en sleur je dan voorover. Tweede Slaaf. Dan pak je zeker mij meteen, jou godvergeten roover.
(Zij vechten) Paphlagoniër. 'k Laat je krom sluiten in de boeien. Worstverkooper. Als deserteur laat ik je bloeien. Paphlagoniër.
Ik zal je looien met gemak. Worstverkooper. Ik zal je villen als een zak. Paphlagoniër. 'k Hang je op aan huid en velletjes. Worstverkooper. En ik hak je tot frikadelletjes.
Paphlagoniër. Al je oogharen pluk ik uit. Worstverkooper. En ik snijd je den krop uit je snuit. Eerste Slaaf.
Behandel hem, goddorie, maar Precies of hij een varken waar'! Sla hem een spijker in den snuit, En haal daarna zijn tong er uit,
Wanneer aldus het heele dier Gespalkt is op de kunstmanier, Dan onderzoek je of een wrat Te zien is op zijn varkensgat.
Koor. Leve de man, Heet op de pan, Die hèm nog kan Bedwingen, Die door zijn mal Gebrul en gebral
Kléon nog zal Verdringen! 't Was geen kwaad experimentje, Om een nòg grooter schreeuwtalentje, Om een nòg gemeener ventje Uit te sturen in den strijd-- Kom, en sla hem op zijn baadje,
Geef hem niet het halve maatje, Want de dwingland in ons staatje Heeft het bijna afgeleid.
Aanvoerder van het koor. Want wanneer je hem maar éénmaal in de worsteling verzwakt, Toont hij zich een laffen kerel, o ik ken z'n waren aard. En zoo'n lafaard heeft waarachtig nog z'n heele leven lang
Voor een flinken vent gegolden! hij sneed riemen van andermans leêr! Hij houdt nu de korenaaren van 't vijandelijk korenveld Hier gevangen, en steekt later al hun losgeld in z'n zak. Paphlagoniër.
Ik ben niet bevreesd voor jullie, zoolang als de raad nog leeft, En zoolang van alle spelers Volk het domste bakkes heeft. Koor. Met z'n gesnoef Wil ons de boef Nù nog den loef Afsteken!
Glad als een aal, Altijd brutaal Is nog zijn taal Gebleken! Aanvoerder van het koor. 'k Haat je erger dan de dekens, waar Kratinos zich in bevuilt,
Erger dan de slechte drama's, waar vriend Morsimos in huilt! Koor. Jij, die als een ontaarde bij Kruipt en gonst in alle zaken, En je honing tracht te maken Uit de bloem der omkooperij! Moge 't slechtverworven eten op 't stadhuis ook slecht je smaken! Mocht het lot ons zóó iets schenken,
Mocht jij raken in den druk, Dan zou ik een lied bedenken: "Laat ons klinken, laat ons drinken, Laat ons juichen van geluk!" Aanvoerder van het koor. Ja, 'k wed, de zoon van Bulias, de meisjesgek op jaren, Spant jou ter eere nog Apol en Bacchos op z'n snaren.
NEGENDE TOONEEL. Dezelfden. Paphlagoniër. Mij zult ge, bij Poseidon, nooit in driestheid overwinnen, Of ik zal geen vergaadring meer met offerdienst beginnen!
Worstverkooper. En ik zweer bij de oorvijgen, die ik als jongen talrijk Gekregen heb, en bij het mes waar 'k mee kan bekkesnijden, Dat ik het van je winnen zal, want anders was ik zeker,
Met hondebrokken opgevoed, zoo'n kerel niet geworden! Paphlagoniër. Met hondebrokken opgevoed? Ik draag hier al sinds tijen Den eernaam Hondsvot, en durf jij een hondsvot gaan bestrijen? Worstverkooper.
Ik ben een boef van d' echte soort, als jongen al een boefje, Want toen heb ik de slagers al bestolen met een foefje: "Kijk, zie je daar die zwaluw niet? 't wordt lente, boerenkinkel!" Riep ik, en keken zij, dan stal ik 't vleesch hun uit den winkel.
Tweede Slaaf. Jij bent een handig brokje vleesch, en wijs en onverschrokken, Als d'ander slâ in 't voorjaar eet, steel jij de voorjaarsbrokken! Worstverkooper. Dat deed ik meestal ongemerkt, maar snapten mij die heeren, Dan ging ik, in elkaar gehurkt, bij hoog en laag aan 't zweeren;
Zoodat, toen eens een spreker zag, hoe ik ze had bedrogen, Hij uitriep: "Kijk, die jongen wordt nog eens bij 't volk een hooge!"
Tweede Slaaf. Dat heeft hij drommels goed voorspeld, en 't was dan ook geen wonder, Je was meineedige en een dief, en 't vleesch zat in je donder!
Paphlagoniër. Ik leer je d' onbeschaamdheid af, eerst jou en dan den ander, Ik stort te voorschijn als een groot en schitterend tegenstander, En 'k zal de aarde en de zee ondersteboven keeren! Worstverkooper. En ik haal eerst mijn worsten in, die jij zou kuljoneeren, En daarna vaar ik tegen je uit en zal je mores leeren. Tweede Slaaf. Wanneer je scheepje lek mocht gaan, zal ik op 't ruim wel passen!
Paphlagoniër. Geloof jij dat je ongestraft, bij Demeter! vijf talenten Van d'arme Atheners stelen kunt? Tweede Slaaf. Pas op en vier je schoot wat! Hij blaast als de noordoostenwind! Straks regent het processen. Worstverkooper. Jij hebt uit Potidaea tien talenten vast gestolen! Paphlagoniër. Wat zou dat? aas jij soms op één, om dan je mond te houen? Tweede Slaaf
(tot den Paphlagoniër). Hij stak er graag één in zijn zak. (tot den worsthandelaar) Laat schieten maar je touwen! De eerste storm is nu bedaard! Paphlagoniër.
Jij gaat met een vierdubbel proces Van honderd talenten op de flesch. Worstverkooper. Als deserteur krijg je twintig er bij, En duizend wegens oplichterij! Paphlagoniër.
Jij bent gesproten uit een geslacht, Dat door de goden is veracht! Worstverkooper. Jouw grootvader liep hier in 't land Gewapend achter 'n dwingeland! Paphlagoniër. Mijn grootvaâr? van wien stam ik af?
Worstverkooper. Van vrouwendienaars, laag en laf! Want ik weet zeker dat hij was In dienst van de vrouw van Hippias, Haar naam? herinner ik mij wel, Die klonk zoo iets als "juffrouw Vel." Paphlagoniër. Je bent een schelm. Worstverkooper.
Je bent een schurk. Tweede Slaaf. Sla flink er op. Paphlagoniër (schreeuwende). Mijn arme kop, 'k Val in een samenzweerdersstrop! Tweede Slaaf.
Je ranselt hem aan allen kant, Met darmen en met ingewand, Zoodat het kraakt en knettert, Zóó wordt het best een vent gestraft, Die altijd schreeuwt en schettert! Aanvoerder van het koor.
O allerdapperste stuk vleesch, o held der heldenscharen, Voor ons en voor geheel den staat de redder in gevaren, Wat heb je mooi, met mannentaal en flink, dien man verslagen, Hoe kan mijn vreugd genoegzaam van uw eer en roem gewagen?
TIENDE TOONEEL. Dezelfden. Paphlagoniër. Het was me niet ontgaan, dat jullie de heele zaak Heel netjes in elkaar getimmerd hadt, Maar ik wist wat te beklinken en te spijkeren was.
Worstverkooper. 't Ontgaat me óók niet, al wat jij in Argos doet, (tot het publiek:)
Hij maakt ons schijnbaar het volk van Argos tot bondgenoot, Maar steunt daar op eigen houtje de Lacedæmoniërs. Tweede Slaaf (tot den worstverkooper) Kan jij ook niet tegen hem spreken als een timmerman?
Worstverkooper (tot den Paphlagoniër). Ik weet wel, hoe die dingen samengeklonken zijn, Zij worden bedisseld ten bate van de gevangenen! Tweede Slaaf. Goed zoo! spreek jij van "smeden" als hij "spijkeren" zegt!
Worstverkooper. De mannen van daar, die hameren mee aan 't zelfde slot. Al biedt je mij nóg zooveel goud of zilvergeld, Al stuur je je vrienden, toch verhinder je mij niet Om dat bekend te maken aan 't Atheensche volk.
Paphlagoniër. En ik zal daadlijk mij begeven naar den raad, En daar vermelden hoe gij allen samenzweert, En hoe gij 's nachts hier op den burg tezamenkomt, En hoe gij aan den koning der Persen ons verraadt,
En--hoe j'ons kaas wilt geven uit Boeotië! Worstverkooper. Hoe duur zou wel die kaas zijn uit Boeotië?
Paphlagoniër. Bij Herkules! 'k zal maken dat je onderligt! (Af.) ELFDE TOONEEL. Dezelfden, behalve de Paphlagoniër.
Aanvoerder van het koor. Toon nu eens je beleid en je stoutmoedigheid! Als 't waar is dat je vroeger, zooals je zelf vertelt, In elkaar gehurkt gestolen vleesch verstoppen kondt-- Dan loop je nu ook drommels gauw naar 't raadsgebouw, Want hij 's daar binnengevallen, en hij dient terstond Al buldrend tegen allen een valsche aanklacht in. Worstverkooper.
Dan ga ik, vuil als ik ben, maar toch leg ik nog eerst M'n darmen en m'n messen hier op den grond ter neer. (Hij legt alles af) Tweede Slaaf. Daar heb je olie, wrijf er eerst je nek mee in, Dan glijdt daartegen de heele valsche aanklacht af.
Worstverkooper. Uitmuntend! jij hoort zeker thuis in 't turnlokaal. Tweede Slaaf. Slik ook dit nog naar beneden. (Hij geeft hem knoflook) Worstverkooper. Waarvoor dient me dat? Tweede Slaaf. Door knoflook te eten zal j' een beter kemphaan zijn. Kom, spoed je voort.
Worstverkooper. Dat doe ik al. Tweede Slaaf. En denk er aan: Je bijt en lastert, je eet z'n hanekam maar op, Als dàt gedaan is, kom je hier weer in galop!
(De worstverkooper gaat naar de stad, de slaaf gaat het huis binnen). Koorlied. Ga henen met vreugd, en handel vrij Tot blijdschap en voldoening van mij, 500 Zeus zelf bescherme uw paden, En als d'overwinning eens is behaald, Dan komt gij terug, en zegepraalt, Met kransen bestrooid en beladen! De aanvoerder van het koor
(tot de toeschouwers) En gij! verleent ons aandachtig gehoor, als wij naderen met anapesten, Gij, die bij de feesten verschillende zangen van velerlei Muse gehoord hebt!
(Het koor wendt zich naar het publiek) Parabase. Als eertijds een van het oude geslacht, als een vroegere blijspelendichter Ons verzocht om naar het publiek toegewend zijne verzen te gaan reciteeren, Niet licht verwierf hij die gunst van ons; maar thans is de dichter het waardig,
Omdat hij veracht wie bij ons is veracht, en omdat hij de waarheid durft spreken, En dapper op Typhon zelf losgaat, en het onweêr waagde te tarten. Maar dàt, waar velen verbaasd over zijn, die verwonderd mij vroegen
naar d'oorzaak, Waarom hij niet vroeger een koor heeft verzocht, om zelf zijn tooneelstuk te spelen, Dàt droeg hij ons op te verklaren aan u. Ik heb--aldus sprak de dichter-- Niet uit domheid zóó met mijn verzen gedraald, maar ik huldigde altijd de meening
Dat er niets op aarde zoo moeilijk was als een blijspel goed te vertoonen. Veel minnaars verdringen zich om haar gunst, maar de Muse schenkt weinigen toegang.
En de dichter, publiek! heeft uw aard doorgrond, hoe gij jaarlijks verandert en wisselt, Hoe gij altijd de vroegere dichters verzaakt, zoodra hen d'ouderdom nadert: Hij weet wat met Mágnes eens is geschied, toen leeftijd zijn lokken vergrijsde, Die zoo menigen wapentros heeft gesticht, als hij won in den edelen wedkamp, Die met wiss'lende tonen uw oor heeft gestreeld--met lierzang--met
kwinkeleeren, Met Lydisch gefluit--met wespengeluid--die met kikkergekwaak u gedoopt heeft, En die tòch niet altijd u kon voldoen, en als grijsaard, niet toen hij jong was, Door ù is versmaad, omdat hij te tam, te gematigd was in zijn spotlust!
Ik herinner den dichter Kratinos u ook, die van lof overstroomd en van glorie Door uw veld als een bergstroom rolt, poëzie! en platanen en machtige eiken Met wortel en tak op den grond doet slaan--zóó velt hij zijn vijand ter neder,
Dat bij ieder feestmaal zijn lied weerklonk: "Godin Geefgraag met vijgenpantoffels!" En "Bouwmeesters van kunstrijken zang"--zóó bloeide zijn naam in Athene. Doch thans? Geen meelij vervult uwe borst, als hij treurt en zeurt
in zijn verzen, Wanneer bij het tokkelen weigert zijn luit, als de klanken verdwenen van vroeger, En valsch weerklinkt de geheiligde snaar!--Thans dwaalt hij als grijsaard in 't ronde, Aan Kónnos gelijk, en "verdord is zijn krans, en hij gaat aan zijn dorst nog te gronde!" Hem paste de staatsdrank op het stadhuis, den zoo dikwerf schittrend
bekroonde, Dan zeurde hij niet, en zat glansrijk hier bij den priester van god Dionysos. Zie Krátes eens, wat moest hij van u ook al grillen en luim ondervinden! Wiens kunst leek op een eenvoudig ontbijt, dat hem luttele inspanning kostte,
Die met nuchteren smaak u een maaltijd schonk van grappen en fijne gedachten, Toch--hield hij het uit, soms daalde zijn zon, en dan rees hij weer naar de hoogte. Hij vreesde het wisselend dichterenlot. Denkt allen aan wat hij eens zeide: Dat men vóór alle dingen een roeier moet zijn, en daarna pas staan
aan het stuurrad, Allereerst op de plecht van het vaartuig geplaatst, om de richting te leeren der winden, En ten slotte de stuurman van alles te zijn!--Tot dank voor al deze woorden, Omdat hij verstandige denkbeelden had, en niet leuterend sprong in zijn scheepje, Schenkt gij hem nu donderend handengeklap, voortdurend een
eeregeleide, Goedgekeurd gemompel op 't schouwburgfeest, Dat de dichter tevreden naar huis moge gaan, In zijn arbeid geslaagd, Met een voorhoofd, stralend van blijdschap! Koor (Ode). God Poseidon, ù roep ik aan, U is de stem van 't snuivend ros, U zijn hoefslag geheiligd: Gij, die over de waterbaan 't Donkergekleurde schip doet gaan, Gij, die zeevaart beveiligt! God Poseidon, der rossen heer! Die u verheugt in glans en eer,
Als, in schittrende rijen, Heel de bloeiende jeugd der stad Luchtig, vluchtig de teugels vat Van den brieschenden paardenschat,
Voor zijn harddraverijen! Kom ten reidans van uit de zee, Breng uwen gulden drietand mee, Door dolfijnen gedragen! Gij, wien van verre de schipper smeekt, Als zijn kiel op de klippen breekt, Door den stormwind verslagen! Zilten telg van den dondergod! Gij, wien Phormion heel zijn lot,
't Lot zijner schepen vertrouwde: U ter eer klink' 't loflied schoon, U, Poseidon, Kronos' zoon-- Gij, ons het liefst van de hemelgoôn, Toen ons de zeeslag benauwde! Ja, ik wil den roem verkonden van ons heerlijk voorgeslacht, Waardig op het kleed te stralen, dat m' Athene jaarlijks bracht, Mannen die in voetgevechten, òf in 't schip-omkluisterd heir
Ons den zege steeds bevochten, 't vaderland tot roem en eer. Geen van al die dappre mannen heeft den vijand ooit geteld, Doch zoodra 't gevaar nabij was, zwol zijn moed en werd hij held. Mocht er één terzijde storten, mocht hij wanklen in den slag, Hij ontkende, stofafschuddend, dat hij ooit ten onder lag! Nimmer staakten zij de worstling, want geen vroeger generaal
Maakte ooit, als Kléon's vader, aanspraak op een staatsonthaal; Thans verlangt men eerezitplaats, spijs en drank van 't algemeen, Of men weigert mee te vechten. Doch wij eischen dat elkeen Zich zal offren, onbaatzuchtig, voor den staat en voor zijn goôn, Méér verlangen wij van niemand, slechts dit ééne ridderloon: Dat, zoodra de vrede daar is, gij 't ons niet misgunnen zult, Dat ons lijf weer is geroskamd, hoofd- en baardhaar weer gekruld!
Koor (Ode). En gij, Pallas, der stede heil! Gij die Atheen, in rotsen steil, Steunt in oorlog en vrede, Die reeds vaak onze stad behieldt, Die ons dichterental bezielt Naar de aloude zede! Nader, godin van kunst en vreê, Breng welwillend den Zege mee,
't Beeld dat rust op uw handen, Nike, die ons lied begeleidt, Die in oorlog, die in strijd Aan Athene haar zorgen wijdt, Schutgodes dezer landen! Reik thans zegenend uwe hand Aan de bloem van den ridderstand, Als zij krijg wil beginnen
Met den vijand, die aan ons land Zijn eerzuchtige netten spant: Schenk ons zoet overwinnen! Thans wil 'k ook den lof bazuinen van den eedlen paardenstand! Zij verdienen lof en eerbied, want zij brachten veel tot stand, Hebben mèt ons veel verdragen, ingevallen en gestreên,
Maar wat zij op 't land volbrachten, kent nog lang niet iedereen! Sprongen zij niet, flink als mannen, op de schepen van het land? Dronken zij niet flink uit bekers, aten knoflook uit de hand? Droegen zij elkaar niet riemen, als gewone menschen, na, Riepen zij niet, waterscheppend: "Wie roeit mee? hiep, hiep, hoera!"
"Aarzel niet om aan te pakken, grijp de riemen, edel ros!"-- Toen men aankwam in Korinthe, liep de troep er gauw op los Om met hoeven zich een rustplaats en een deksel op te slaan En wat was uw voedsel, paarden? kreeften, en geen klaverblaân! Als een kreeft naar land kwam kruipen, vingt gij hem uit 't peilloos diep, Zoodat eens 'n Korinthisch kreeftje, 'n moppentapper, luidkeels riep:
"Vreeslijk toch, o god Poseidon, dat de woning van geen visch, Noch de aarde noch het water voor de ridders veilig is!"
TWAALFDE TOONEEL. (De worstverkooper komt terug) Het koor. De worstverkooper. Aanvoerder van het koor. Dierbaarste man, bezield van jeugdig' overmoed, Met hoeveel zorg betreurde ik uw afwezigheid! En daar gij nu behouden zijt teruggekeerd, Vertel ons, wàt is 't einde van den strijd geweest?
Worstverkooper. Nu heet ik "Winraad," want ik overwon den raad! Koor. (Strophe of Keer). Juicht nu allen! de worsteman Zal zijn rede beginnen. Hij, die spreekt zoo heet van de pan, En die nog beter vechten kan, Glorierijk overwinnen!
Vang thans aan met uw verhaal, Niets ga voor ons verloren, Stel uw rede noch perk noch paal, Want ik reis één en andermaal Om uw woorden te hooren. Spreek dus rustig en welgemoed, Wie aan u twijfelen dorsten
Vallen u thans eerbiedig te voet, Zijn verrukt door uw heldenmoed, Edel koopman in worsten! Worstverkooper. Het loont de moeite om te hooren wat ik deed. Ik rende terstond en achter hem de raadzaal in. Hij brak reeds binnen menig donderwoord den nek,
En braakte zijn verwensching tegen de ridders uit, En schold hen samenzweerders, zoodat iedereen Hem ging gelooven. Al de mannen van den raad Wist hij te boeien door zijn grove leugenkool. Men keek zuur als mosterd, dreigend fronste men het hoofd. Toen ik nu zag hoe men gesteld was op zijn woord, En hoe men door zijn sluwe taal bedrogen werd, Toen bad ik tot de goden die ik 't beste ken, "O Onbeschaamden en Bedriegers (dus bad ik),
"O Stommelingen en Kabouters, o Slavenras, "O Markt waarin ik reeds als knaap ben opgevoed! "Schenkt mij nu durf, behalve een gelikte tong,
"Een stem vol onbeschaamdheid!" Wijl ik dit bedacht, Liet een verkeerde liefhebber aan mijn rechterkant Er eentje vliegen, zoodat ik van eerbied boog. Toen heb ik met mijn achterste het traliewerk Geopend, en ik schreeuwde 't uit met wijden mond:
"Ik breng u, heeren van den raad, een goed bericht, "Hoort dus de blijde boodschap, waar ik hier meê kom, "Nog nimmer, sinds de oorlog uitgebroken is,
"Is hier de ansjovis voor een lager prijs verkocht!"-- Op deze tijding trok elkeen een zoet gezicht, Men wijdde mij voor 't goed bericht een eerekrans, En ik gaf aan den raad toen het geheim advies "Om alle ansjovis op te koopen voor een cent per stuk, "En de schotels t' arresteeren, die voorhanden zijn."
Men klapte en men gaapte mij verwonderd aan. De Paphlagoniër, die dit alles had bemerkt, En de woorden wist die indruk maken op den raad, Nam toen het woord, en zeide: "Mannen, ik stel voor "De goede tijding te herdenken, ons gebracht, "Met een honderdkoeienoffer aan godin Atheen." Hem knikte toen de heele raad welwillend toe, Doch ik, die nimmer wijken wil voor koeiemest, Bood tweehonderd koeien, en versloeg hem door dat bod.
Ook stelde ik voor, aan Artemis de jachtgodin Een duizendbokjesoffer te beloven, als D'ansjovis honderd voor een cent geprijsd zou zijn. En op dat voorstel knikte weer de heele raad. Toen hij dat hoorde, schrikte hij, sprak leutertaal, En de bedienden sleurden hem van 't spreekgestoelt'.
Nu stond elk op, en er ontstond een vischdebat, Maar Kléon smeekte, of men nog wat blijven wou, "Verneemt nog wat u de heraut uit Sparta zegt,
"Een wapenstilstand biedt hij u ten tweeden keer!" Doch ieder schreeuwde tegen hem, als uit één mond: "Een wapenstilstand? nu op eens? terwijl zoo juist "Bericht werd dat d'ansjovis is in prijs verlaagd? "Dat is niet noodig, d'oorlog kan zijn gang gaan, hoor."
En tevens riep men: "Hef maar gauw de zitting op." Van alle kanten sprong men over de balie heen, En ik kneep uit, en kocht alle koriander op En alle uien, die op de markt te vinden zijn, En maakte daar toen de ansjovis lekker mee, Zoodat de raadslui smulden voor geen halve cent. Ik, die alom bewonderd ben en opgekamd, Heb met mijn korianders en mijn uien dus
Voor weinig centen al de raadslui--opgeknapt! Koor. (antistrophe of tegen-keer) Heil u, dierbare beulingvrind, Heil zij u allerwege, Alles gaat u thans voor den wind,
Wie zoo dapper den strijd begint, 685 Dien wacht weldra de zege! Want die schurk vond een schurk in u. Grooter in list en in lagen, Met uwen mond, zoo groot en ruw, Met uwe listen, fijn en sluw, Hebt gij hèm nog verslagen. Vecht nu maar tot het einde door, Toon u listig en machtig, Want wij allen, het ridderkoor,
Helpen u en volgen uw spoor, Ondersteunen u krachtig! Worstverkooper. Daar komt hij, onze vriend de Paphlagoniër, Hij bruist als een bergstroom, en hij snuift en raast maar door, Alsof hij m' op wil eten, hij lijkt Blauwbaard wel.
DERTIENDE TOONEEL. (De Paphlagoniër, met een krans op, komt terug uit den raad en snelt op het tooneel).
Worstverkooper, Paphlagoniër, Het Koor. Paphlagoniër. Als ik jou niet vermorsel, als ik de leugentaal Niet meer heb van vroeger, dan ben ik een verloren man. Worstverkooper. Ik lach om jou bedreiging, 'k schud van je snoeverij,
Ik dans om jou een negerdans en ik hoon j' er bij! Paphlagoniër. Ik zweer je bij Demeter! dat 'k niet leven zal, Als ik je nìet levend opvreet en het land uitjaag. Worstverkooper. Niet levend opvreet? kerel, ik zuip je levend op, Al moest ik daarna barsten als een varkensblaas.
Paphlagoniër. Je sterft, zoowaar ik voorzitter ben van Athene's raad! Worstverkooper. Jij voorzitter? en ik zal maken vroeg of laat Dat j' op de allerlaatste zitbank zitten gaat. Paphlagoniër. 'k Zweer bij den hemel, ik laat jou in boeien slaan.
Worstverkooper. O wat een driftkop! wou je soms wat eten gaan? (ter zijde) Waar smult hij van? is 't soms een beurs, met geld belaân? Paphlagoniër. Met m'n nagels krab ik al je ingewanden uit.
Worstverkooper. En met mijn nagels maak ik gaten in je huid, En haal het eten, dat de raad je geeft, er uit. Paphlagoniër. Ik sleur jou, vrindje, voor 't gerecht, geloof me vrij. Worstverkooper. Ik sleur jou ook, en doe een valschen eed daarbij. Paphlagoniër.
Wees maar verzekerd, schurk, dat 't volk naar jou nìet hoort, Maar ik kan ze lekker foppen, op mijn eerewoord. Worstverkooper. Heb jij zoo zeker het gepeupel in je macht?
Paphlagoniër. Ik weet waarvan zij smullen, en dat is m'n kracht. Worstverkooper. Je voêrt ze gemeen, zooals er vele bakers doen, Van 't eten dat je voorkauwt geef je 't kind haast niets, Terwijl je zelf driemaal zooveel naar binnen slokt. Paphlagoniër. Bij Zeus! ik zweer je, als 't je nòg niet is bekend, Dat 'k ieder dik of dunner maak, door mijn talent.
Worstverkooper. Dat is een slimheid, die mijn achterste ook wel weet. Paphlagoniër. Als jij voor 't volk komt houdt je overmoed geen stand, Laat ons naar 't volk gaan.
Worstverkooper. 'k Heb daartegen geen bezwaar, Vooruit, loop op, niets mag er zijn dat ons weerhoudt. Paphlagoniër.
Heer Volk, kom hier! Worstverkooper. Ja, vader Volk, kom hier bij Zeus, Lief vadertje Volk, verlaat je huis en kom bij ons!
VEERTIENDE TOONEEL. De Worstverkooper, de Paphlagoniër, Volk, Het Koor. Volk. Wie roepen mij daar? gaat toch weg hier voor m'n deur, Want je vernielt den krans die aan den deurpost hangt. Paphlagoniër. Kom hier, en zie wat onrecht mij wordt aangedaan. Volk.
Wie doet dat, Paphlagoniër? Paphlagoniër. Ik krijg slaag voor u, Van dien vent en van die heertjes daar.
Volk. Waarom is dat? Paphlagoniër. Omdat ik je liefheb, Volk, omdat ik je minnaar ben. Volk. Zeg, wie ben jij daar? Worstverkooper. Een medeminnaar ben 'k van hem, Die van je houdt, en die reeds lang je wèl wil doen, Ik wil hetzelfde als veel andere nette lui. Maar door zijn schuld zijn wij onmachtig. Immers jij, Je doet precies als kinderen die bedorven zijn, Je luistert nimmer naar den raad van nette lui, Maar wèl naar lampenkooplui en naar schoenmakers, Schoenlappers en leerlooiers--die houdt jij te vrind. Paphlagoniër.
Ik ben een weldoener van hem! Worstverkooper. Verklaar dat eens! Paphlagoniër. Ik fopte het gezantschap, dat uit Pylos kwam, Ik zeilde heen en bracht de Spartanen gevangen hier. Worstverkooper.
Maar ik heb onlangs, toen ik uit m'n winkel kwam, Den pot gestolen van iemand, die aan 't kooken was. Paphlagoniër.
Meneer Volk! beleg terstond maar een vergadering, Beslis dan zelf, wie van ons tweeën jou het meest Gunstig gestemd is, en neem dien aan tot je vriend. Worstverkooper. Ja, ja, beslis het zelf maar, maar niet op de Pnyx! Volk. Ik wil niet ergens anders zitten dan op de Pnyx! Vooruit met jullie, komt te voorschijn op de Pnyx!
(Volk gaat naar een hooge plaats, die de Pnyx voorstelt, en zet zich daar neder).
Worstverkooper (ter zijde). O wee, ik ben verloren, want de oude man, Wanneer hij thuis is, is een beste goede heer, Maar nauwlijks heeft hij plaats genomen op die rots, Of hij gaapt als iemand, die een ristje vijgen maakt.
Koor. (tot den worstverkooper) Zet nu maar alle zeilen bij, En toon je beste beentje, Wees overmoedig en wees vrij, Bedenk een heele scheldpartij,
Waarmee je Kléon zet op zij, Want hij, hij is er eentje, Die zich in alle bochten weet Te dringen en te wringen, In elken muur ziet hij een reet, En hij kent listen bij de vleet, Al is 't gevaar ook nog zoo heet, Om toch den dans t'ontspringen!
Aanvoerder van het koor. Wees zeker dat gij met overmacht, met krachtpatserij op hem lostrekt, Maar wees tegelijk voorzichtig ook, en bedenk, voordat hij u aanvalt, Dat je gauw met je ra naar den vijand draait, en je slingerwerptuigen omhoog hijscht!
VIJFTIENDE TOONEEL. Dezelfden. Paphlagoniër. Aan mijn meesteres, godinne Atheen, die de stad wil schermen en schutten, Bid ik thans, zoowaar als ik steeds voor het volk, den doorluchtigen
staat der Atheners, D'allerbeste geweest ben na Lysikles en Kynna en Salabakcho, Dat ik steeds, al doe ik ook niets, toch op staatskosten zal worden gespijzigd. Doch als ik u haat, en in uw belang niet alleen zal treden in 't strijdperk,
Dan ga ik spoedig in stukken gezaagd of in riemen gesneden te gronde! Worstverkooper. En ik, o Volk, als ik jou niet bemin, niet liefheb, moge gesneden, En in kleine stukjes gebraden zijn--doch wanneer die wensch niet genoeg is, (hij houdt zijn worstplank in de hoogte)
Dan moog ik in pap fijn worden geschaafd, met kaas, hier op deze worstplank, En met een haak bij de beenen gesleept in de voorstad worden begraven. Paphlagoniër. Hoe zou er toch ooit één burger bestaan die het Volk meer liefheeft dan ik doe?
Die ten eerste, als lid van den raad, heb gemaakt dat uw kas voortdurend gevuld was, Want in het publiek--ik vroeg het den een--ik bestal en ik worgde den ander, Geen particulier was veilig bij mij, deed ik maar het Volk een pleiziertje.
Worstverkooper. Dat's heelemaal niet ongewoon, o Volk! want ik doe terstond u hetzelfde. Ik steel u de brooden uit andermans huis, en zet die voor u als een maaltijd, Dat die schurk van hierover u niet liefheeft, dat zal ik vóór alles u toonen.
Tenzij dáárom alleen hij het doet, omdat hij zich warmt aan uw koolvuur. Gij Volk! die met Mediërs eens hebt gestreên, die bij Marathon voor uw bestaan vocht, U, die na den zege ons steeds hebt gewend aan machtige woorden en grootspraak,
Om ù geeft hij niets, dat gij daar zoo ruw en zoo hard neerzit op de rotsen, Niet als ik heeft hij een matras u genaaid. Dien breng ik u: rijs in de hoogte, Zit lekker, en koester het achterdeel, dat bij Salamis véél heeft geleden!
(Hij legt een matras onder hem) Volk. Wie zijt gij o mensch? stamt gij soms af van den grooten tirannenvermoorder? Dat is nu in waarheid een edel geschenk, metterdaad toont gij u
een volksvriend. Paphlagoniër. Wat zijt gij op eens welwillend gestemd door zulk een gering vleierijtje! Worstverkooper. Veel geringer nog is het lokaas geweest, waar gij hem steeds mee gestreeld hebt! Paphlagoniër.
Nooit is er een man verschenen op aard, o Volk, die u flinker beschermde, Of die u meer liefhad dan ik--is 't niet zoo, ja, ja, ik verwed er mijn hoofd om.
Worstverkooper. Jij houdt van het volk, die al acht jaar lang geen meelij toont en het aanziet, Hoe het hier in de buurt armzalig woont, in hutten en krotten en
nesten? Jij plukt alle menschen, en sluit ze maar op; toen Archeptolemos aankwam Om vrede te brengen, dreeft gij hem weg, en gij jaagt alle gezanten Met schande en smaad uit Athene voort, als zij wapenstilstand verzoeken. Paphlagoniër. Opdat gij over alle Hellenen heerscht!--Want 't staat in orakels geschreven,
Dat hij eens in Arkadië rechter zal zijn.... voor vijf obolen salaris, Als hij volhoudt.... daarom is het dan ook dat ik hem zal kweeken en voeden, Dat ik hem zal verschaffen, 't zij recht of 't zij krom, zijn drie
obolen salaris. Worstverkooper. Dat het Volk in Arkadië heerschen zou, was je doel niet, maar je beoogde Van de steden te plukken zooveel als je kon, zoodat het volk
ondertusschen Door oorlog en duistere neevlen verblind, al je slechtheid niet zoude bemerken, Maar gedreven door nood en behoefte aan loon steeds gapend tegen je opzag! Als deze zich weder begeeft naar het land, als hij vreedzaam daar wil vertoeven, En moed zal hervatten bij 't eten van gort, en het sap van druiven weer aanspreekt, Dan zal hij de weldaden zien, waarvan gij met uw soldij hem beroofd hebt, En hij komt als een boertje verbitterd terug, om zijn stem tegen ù uit te brengen.
Dat weet gij, en daarom bedriegt gij uw heer, en gij snoeft en gij droomt van uzelven!
Paphlagoniër. Is het niet onbeschaamd dat ge dàt van mij zegt, en dat ge mij telkens belastert Bij het volk der Atheners, en bij dien staat, dien ik zoo herhaaldelijk weldeed, Mij, die nog meer dan Themistokles voor de stad in 't bijzonder gedaan heb?
Worstverkooper. "Stad van Argos, luister naar diens verhaal!"--met Themistokles durft gij u meten? Met hem, die de stad schatrijk heeft gemaakt, die hij trof in behoeftigen toestand? Die de stad daarenboven, bij wijs van ontbijt, den Piraeus aanbood als kluifje, En aan versche visschen haar smullen deed, wijl hij niets van de
oude haar afnam? Maar gij, die door uw geheele gedoe kleinburgerlijk maakt de Atheners, Door murengebouw en orakelgezang--met Themistokles durft gij u meten! Hij--werd verbannen uit onze stad--Jij--smult van warme kadetjes! Paphlagoniër. Is dat niet vreeselijk, meester Volk, dat ik zoo iets van hem moet
hooren, Ik die u bemin? Volk. Houd jij maar op en verveel mij niet met je kletspraat Lang was 't mij ontgaan en nu bijna weer, hoe jij altijd de kat knijpt in 't donker. Worstverkooper. Hij is een vervloekeling, Volkjelief, en zijn euveldaân zijn ontelbaar!
Zoodra gij slaapt, plukt hij expres De lekkerste stengels uit een proces, En slikt die door, met beide hand Staat hij te lepelen de soep van 't land. Paphlagoniër. Jij zal niet lachen, wanneer ik bewijs Dat je vijf talenten stal als prijs! Worstverkooper.
Wat plas je door en flodder je toch, Jij, die door je listen en je bedrog Het Atheensche volk weet te honen? Geloof maar dat 'k aan kan toonen, Of bij de goden! ik leef niet meer, Dat j' uit Mytilene keer op keer,
Door omkooperij van velen Meer dan veertig mina's dorst stelen! Koor. (tot den worstverkooper) O gij, die als een steun en stut Voor allen zijt verschenen, 'k Bewonder van uw taal de fut, En als gij verder ons beschut,
Zult gij de grootste zijn in nut Voor 't volkje der Hellenen! Gij zult weldra in stad en land Alleen 't bewind gaan voeren, Neptuin gelijk, zet fluks uw tand De bondgenooten naar uw hand, Geld zult gij slaan uit iedren stand Door schudden en door roeren!
Aanvoerder van het koor. Laat hem geen oogenblik met rust; hij heeft vat op zich gegeven, Met zulke longen in je lijf, kan je hem zijn vet wel geven!
ZESTIENDE TOONEEL. Dezelfden. Paphlagoniër. Neen, goeje menschen, 't is zoover met mij nog niet gekomen! Want ik heb zulk een heldenstuk bedacht en ondernomen Dat 'k allen vijanden den mond zal snoeren, en niet wijken Zoolang de schilde' en krijgstrofeên van Pylos hier nog prijken.
Worstverkooper. Hou jij maar met je schilden op! je hebt m' al vat gegeven, Want als je waarlijk hieldt van 't volk, had jij nooit last gegeven Die schilden aan de handvatsels hier op te laten hangen.
Neen, Volk! dat was een list van hem om jou daarmee te vangen, Om als je hem bestraffen wilt, jou daarin te verhinderen. Kijk wat een staf hij om zich heeft van mannen en van kinderen, Leerlooiers, honighandelaars, een kaasverkoopersbende, Dat hokt hier onder één deken saam, en stort jou in d'ellende, Zoodat, wanneer jij brullen zou, en "Gooi-em-er-uit" zou spelen, Zij 's nachts geheel dien wapentros en schilden zouden stelen, Om dan terstond den toegang tot de broodmarkt te bezetten. Volk.
Wat, hebben zij de handvatsels? dat zal ik hen beletten, Wat heb jij, slechte kerel, mij al lang gefopt met streken! Paphlagoniër.
Mijn beste man, geloof toch niet altijd wie 't laatst mag spreken! Wees zeker dat j' een beter vriend dan ik ben nooit zult vinden, Wie samenzweerde tegen 't volk wist ik alleen te binden, Zoodra in onze goede stad men maar ging samenrotten,
Dan schreeuwde ik terstond het uit, en liet me nooit bedotten. Worstverkooper. Het is met jou altijd gegaan als lui die paling vangen, Als 't water stil en rustig is, blijft ook de dobber hangen,
Maar als het water troebel is, dan roeren z' in de modder, Dan vangen zij!--Zoo vang jij ook, met al je staatsgeflodder. Nog één vraag: Jij, die zooveel leêr en riemen kunt verkoopen, Verschafte jij dien ouden heer ooit zolen bij het loopen, Dien jij bemint zooals je zegt? Volk. Neen, bij Apollo, nimmer!
Worstverkooper. Zie je nu wat voor een vent hij is? het wordt al slim en slimmer. Maar ik--kocht lang een schoenenpaar, en geef het j' om te dragen.
Volk. Jij bent de grootste vriend van 't volk, waar 'k ooit van kon gewagen, Want naast de stad bescherm jij ook de teenen van de voeten. Paphlagoniër. 't Is vreeslijk dat de schoenen hier zooveel bewijzen moeten! Vergeet je dan mijn weldaân hier? ik dorst met 't kwaad te vechten, D'onzedelijken Haviksneus ontnam 'k zijn burgerrechten!
Worstverkooper. Is dat niet vreeselijk, van jou dien achterklap te hooren, Dat een onzeedlijk man als jij onzeedlijkheid moet smoren! 't Was jou alleen daarom te doen, geen sprekers meer te fokken! Jij, die nog nooit deez' ouwen heer een hemd hebt aangetrokken, Een tweearmshemd, dat heb je nooit, al vriest het, van je leven Aan 't volk gegund--hier, ouweheer, laat mij dat aan je geven. (Hij doet Volk een hemd aan) Volk.
Zoo iets kon zelfs tot dusver niet Themistokles bedenken, Al schonk hij wijs--maar zulk een hemd is 't schoonste der geschenken. Paphlagoniër. 't Gaat mis met mij, zóó kan je hem met apenkool bedonderen.
Worstverkooper. Ik doe wat dronken kerels doen, zoodra het roert van onderen, Zóó schiet ik in jouw sloffen nou--dus wil je niet verwonderen. Paphlagoniër.
Toch zal jij met je vleierij, jou leelijk apenbakkes! Niet winnen. Ouweheer, ik bied deez' mantel u! (Hij wil hem ook een mantel aandoen) Volk (den mantel afwijzende).
Ajakkes! Loop met je mantel naar de hel, hij stinkt naar leêr, verdikke! Worstverkooper. Dien deed hij jou opzett'lijk om, om jou daarin te stikken. Reeds vroeg had hij 't op jou gemunt. Weet jij nog hoe verleden Het silphium is in prijs gedaald?
Volk. Dat weet ik nog als heden. Worstverkooper. Welnu, hij heeft zijn best gedaan om dat goedkoop te maken. Dat iedereen het eten zou, en dat als resultaten, De rechters in de rechtbank niets dan winden zouden laten. Volk.
Dat moest ik onlangs van een man uit 't dorpje Mest nog hooren. Worstverkooper. Werdt jullie van dat windgeblaas niet rood tot over d' ooren? Volk. Welzeker, en dat alles heeft die Roodkop ons verzonnen. Paphlagoniër. Jij hebt met lage en vuile taal mij bijna overwonnen.
Worstverkooper. Dat heeft de godheid mij gelast, nog meer dan jij te schetteren. Paphlagoniër. Je zùlt niet overwinnen, en ik zal je nòg verpletteren, Want ik beloof je, meester Volk, dat zonder iets te werken, J'een heelen schotel slikt met loon, en niets ervan zult merken. Worstverkooper.
En ik kom met een smeerseltje en een doosje jou verrassen, Om de wondjes die je aan je beentjes hebt daar netjes mee te wasschen. (Hij biedt dit aan)
Paphlagoniër. Ik trek je grijze haren uit, dat j' eeuwig jong zal blijven. Worstverkooper. En ik geef jou een hazestaart, om j' oogjes in te wrijven. (Hij biedt dit aan) Paphlagoniër. Jij mag je neus, wanneer je 'm snuit, gerust aan mijn hoofd wrijven. Worstverkooper. Neen, dat is vies, geloof me vrij.
Doe 't liefst bij mij, doe 't liefst bij mij. Paphlagoniër. Ik zal je krijgen dat 't je lust; Wanneer je ooit een schip uitrust,
Dan lever ik j' een oud stuk hout, Dat jij geen geld meer overhoudt: Waaraan altijd iets, dat 's gewis, Te lappen en te timm'ren is,
Ook zal ik zorgen dat je vast Niets anders krijgt dan 'n rotte mast. Worstverkooper. Wat snuift de vent! wat sputtert hij!
Als overkokende rijstebrij, Met dreigementen en met straf, Komaan, ik neem het schuim er af! (Hij biedt den Paphlagoniër al lachende zijn soeplepel aan). Paphlagoniër.
Ik laat je betalen dat je kraakt, En in de vermogensbelasting raakt, Jij wordt door mij, door mij alleen, Hoogstaangeslagene in Atheen. Worstverkooper.
Ik dreig je niet met zoet of zuur, Maar wensch je 't volgend avontuur: Dat als je pan staat op het vuur, Waarin een lekkere pijlinktvisch Met veel geknetter en gesis Verrukk'lijk aan het braden is: Jij dan d' aanstaande spreker bent Over een Milesisch incident (Waarbij te gappen is één talent):
Welnu--is d'omkooperij verricht, Dan wed ik dat je je haast allicht Om met een afterdinnergezicht De vergadering te verschrikken! Dan hoop ik dat op eens de man, Die met jou konkelen wil en kan, Terwijl de visch nog staat in de pan, Verschijne voor jouw blikken, En dat je dan, voordat de visch Nog in jouw maag verdwenen is,
Jij, happig op het geldgegris, Nog onder het eten mag stikken! Koor (lied). Bij Apollo, bij Demeter, En bij Zeus den dondergod, Zulk een wensch is voor den vreter Het verdiende levenslot!
ZEVENTIENDE TOONEEL. Dezelfden. Volk. Ook mij dunkt hij nu alleszins klaarblijkelijk Een goede burger, zooals nimmer nog voorheen Er is verschenen voor Jan Pet en de centenlui. Maar jij, o allerberoerdste Paphlagoniër, Beweert dat jij me liefhebt, en verbittert me steeds! Geef dus je zegelring terug, je mag niet meer Voor mij blijven zorgen. Paphlagoniër (geeft den ring terug). Dáár, 'k verzeker u alleen
Dat als jij mij niet langer voor je zorgen laat, Er een ander komt, nog veel misdadiger dan ik. Volk. 't Is zeker dat die zegelring dien jij me geeft De mijne niet is, er staat een ander zegel op, Of 'k zie niet goed.
Worstverkooper. Laat zien aan mij, wat stond er op? Volk. Het was een soort gebakken deeg van ossenvet. Worstverkooper.
Dat staat er niet. Volk. Zie jij geen deeg, wat staat er dan? Worstverkooper. Een meeuw, die boven op een rots aan 't schreeuwen is.
Volk. O wee. Worstverkooper. Wat is er? Volk. Gooi dien ring maar heel gauw weg, 't Was niet de ring van mij, maar van Kleonymos, Neem dezen ring, en zorg jij dan voortaan voor mij. (Hij geeft hem een anderen)
Paphlagoniër. Doe dat nog niet, o ouweheer, 'k bezweer het u, Voordat ge nog naar mijn orakels hebt gehoord. Worstverkooper.
Hoor dan ook de mijne. Paphlagoniër. Als je luistert naar dièn vent, Dan wordt je kaal. Worstverkooper.
Wanneer je doet wat hij verlangt, Dan wordt je bloot tot op de haren van je huid. Paphlagoniër.
In mijn orakels staat dat jij regeeren moet, Bekransd met rozen, over 't heele grondgebied. Worstverkooper. En in de mijne, dat jij in een purperkleed,
Een krans op 't hoofd, zult rijden op een gulden kar, En--Smikythes en Agyrrios vervolgen zult.
Kooraanvoerder. Breng gauw dan de orakels, dat de ouweheer Ze kan vernemen. Worstverkooper. Zeker. Volk (tot den Paphlagoniër).
Breng de uwe ook! Paphlagoniër. Vooruit. Worstverkooper. Vooruit, bij Zeus, wij halen ze terstond. (Beiden af) Koor (eerste helft). Schoonste zonlicht dat ooit verscheen, Welk een vreugde voor gansch Atheen, Voor den vreemdeling, voor elkeen, Ging slechts Kléon te gronde! Maar er zijn ouderen van jaar, Die hem helpen, alsof 't hier waar Altijd een Dertigprocesbazaar-- 980 Ons bestrijden--'t is zonde! Want hij zorgt, dus zeurt men wat, Dat Atheen twee dingen bevat,
Die onmisbaar zijn in een stad: 'n Lepel is 't, en een stamper.... (Tweede helft) Hoort nu Kléon's muziekbedrog: Wat vertelt ons de jeugd, die toch
Met hem op school ging, toen hij nog Was een kleine slampamper? Dat hij eeuwig en altijd maar Streek op één en dezelfde snaar, Of geen andere toon er waar', Zonder andre talenten-- Tot zijn leeraar, te goeder stond', Hem als onleerzaam naar huis toe zond, Daar er voor hem geen klank bestond,
Dan het gerol van centen! ACHTTIENDE TOONEEL. Volk, Paphlagoniër, Worstverkooper, Koor. Paphlagoniër (met orakelrollen). Kijk nu ereis hier! en 'k breng ze nog niet allemaal. Worstverkooper (met een nog grooter pak) Ik word er wee van! en ik breng ze niet allemaal. Volk. Wat is dat?
Paphlagoniër. Orakels! Volk. Zijn dat z'alle? Paphlagoniër. Wat vraag je toch? Ik heb, bij Zeus, nog thuis een heele kist er van. Worstverkooper. En ik heb nog twee huurhuizen en een zolder vol. Volk. Laat kijken, van wie zouden deze orakels zijn? Paphlagoniër.
De mijne zijn van Bakis. Volk. En de uwe, van wie? Worstverkooper. Van Glanis, die een oudere broêr van Bakis was. Volk. Wat staat er in?
Paphlagoniër. Ze handlen van Pylos, van Atheen, Van u, van mij, ja over alles en nog veel meer.
Volk. En die van u? Worstverkooper. O, over Athene en linzenbrei, Over de Spartanen, over een nieuwe makreelensoort, Over de valsche broodafwegers op de markt,
Over jou, over mij--verrekken mag die kerel daar! Volk. Komaan, leest allebei nu je orakels op, Ook dat over mij, waarin ik zoo'n behagen schep,
Dat ik "een aadlaar in de wolken" worden zal. Paphlagoniër. Zoo luister en verleen mij een aandachtig oor. "Zoon van Erechtheus, let op den weg van uw woord, dat Apollo "Riep uit het duistere hol, omsloten door eervollen drievoet, "Red mij den hond, zoo beval hij, met snijdende tanden gewapend, "Die vóór u met dreigenden muil en verschrikkelijk buldrend
"Loon aan u geeft, en zoodra hij dat niet doet gaat hij te gronde. "Want uit haat tegen hem hoort men vele raven al krassen." Volk. Wat dat beteekent vat ik, bij Demeter, niet. Wat heeft Erechtheus met een hond en een raaf te doen? Paphlagoniër.
Ik ben de hond, want ik ben degeen die voor u blaft. Apol beveelt u mij te redden, mij, den hond. Worstverkooper. Niet dàt zegt het orakel, maar wèl dat de hond
Aan uwe orakels knabbelt als aan tarwemeel, In mijn orakels staat het rechte over dien hond. Volk. Leg dat eens uit, ik neem een steen vast in mijn hand, Als somtijds die orakelhond mij bijten wil. Worstverkooper. "Zoon van Erechtheus, let op hond Kerberos, zielenverkooper, "Die u vleit met zijn staart, en die u beloert bij uw maaltijd,
"Die, zoodra gij kijkt op zij, terstond al uw eten verorbert. "Die op de wijze der honden maar altijd staat voor de keuken, "En die des nachts alle schotels en ook alle--eilanden aflikt." Volk.
Die Glanis spreekt, bij Poseidon, een veel beter taal. Paphlagoniër. Hoor eerst, mijn beste, wat ìk heb, en oordeel dan: "Daar is een vrouw, die een leeuw zal baren in 't heilig Athene, "Die tot heil van het volk met vele muggen zal vechten. "En zijn welpen beschut. Dien leeuw moet gij u bewaren, "Binnen uw muren van hout en binnen uw torens van ijzer."
Begrijpt gij dit? Volk. Ik snap er niets van, bij Apol. Paphlagoniër. De god beveelt u duidelijk dat gij mij redt, Want ik ben toch de leeuw die u beschermen moet. Volk. Je bent eer een Tegenleeuw, als ik je zoo noemen mag. Worstverkooper.
Opzettelijk verzwijgt hij één ding van de spreuk, Met ijzer heeft hij den muur bedoeld, en boeien ook, Waardoor Apollo uwe redding mooglijk acht.
Volk. Hoe heeft de godheid dat bedoeld? Worstverkooper. Hij geeft bevel Dat gij hem in vijfdubbele boeien binden zult. Volk. Het schijnt mij toe dat dit orakel wordt vervuld.
"Doe niet zijn wil, want nijdig bekrassen u donkere raven, "Maar houd den havik te vriend, indachtig hoe hij u eenmaal "Redde, nadat hij met moed de Lakonische raafjes gepakt had." Worstverkooper (ter zijde). 't Was in een brooddronken bui dat de Paphlagoniër held was! (hardop)
"Kekrops' spruit, onbezonnen, acht gij die daad zoo gewichtig? "Zelfs eene vrouw draagt een last, zoodra als de man het haar oplegt, "Maar gaan vechten, dat nooit! Zij raakt in de Vecht met haar
vechten." Paphlagoniër. Hoor dat orakel ook eens, waar van Poort voor de Poort zoo iets inkomt,
"Daar is een Poort voor de Poort." Volk. Voor de Poort? wat zou dat beteekenen? Worstverkooper.
Dat hij de kuipen in het badhuis stelen zal. Volk. Zoodat 'k vandaag geen bad kan nemen, beste vriend?
Worstverkooper. Ja zeker! want die kerel pakte de kuipen weg. Nog is er één orakel, waarin voorkomt van De zeevaart--let nauwkeurig op, wat dàt ons zegt. Volk.
Lees op, ik luister, en ik zal ook zorgen dat Vóór alles aan mijn zeelui 't loon wordt uitgekeerd. Worstverkooper.
"Zoon van Aegeus, pas op dat u niet verschalke die hondsvot, "Gluiperig, snel als de wind, en slim als een vos en ervaren." Weet jij wie dàt is?
Volk. O, de hondsvot Philóstratos. Worstverkooper. Dàt zegt hij niet, maar wèl dat Kléon telkens vraagt Om schepen, waar hij belastingen mee innen kan, En Apol verbiedt dat gij die voortaan geven zult. Volk. Wordt met een hondsvot ook wel eens een schip bedoeld?
Worstverkooper. Jawel, want honden en ook schepen loopen snel. Volk. Maar waarom spreekt hij ook van "vos" behalve "hond?" Worstverkooper. Hier worden met "vosjes" de soldaten wis bedoeld,
Omdat ze druiven knabblen in 't vijandlijk land. Volk. Goed! Maar zeg mij eens, hoe komen die vossen aan hun loon?
Worstverkooper. Daar zorg ik voor, drie dagen vooruit geef ik hun vast. Hoor dit orakel nog aan: "Apoll" beveelt u Cyllene "Streng te vermijden, opdat het u niet door list moge vangen." Volk. Wat voor Cyllene? Worstverkooper.
Hier wordt vast z'n hand bedoeld, "Stil leenen" meent hij, als hij stil z'n hand ophoudt. Paphlagoniër. Dat is niet juist, want met Cyllene bedoelde Apollo Zeker de lamme hand van den wichelaar Diopeithes. Maar ook ik heb een spreuk, een gevleugeld woord, voor u bij mij,
Dat gij een adelaar wordt, en geheel onze aard zult beheerschen. Worstverkooper. Ik heb nog meer: ook de Roode Zee, niet alleen onze aarde, Dat gij tot in Ecbatana recht zult spreken en smullen.
Paphlagoniër. Maar ik zag in mijn droom dat de godheid zelf was verschenen, En met een schenkkan over het volk heil strooide en welvaart. Worstverkooper.
Ik zag meer in mijn droom, want ik zag godinne Athene, Die uit haar tempel trad, wijl een uil op haar hoofd was gezeten, En toen plengde zij duidelijk uit hare flesch op uw voorhoofd
Ambrozijn, maar pekel en knoflook goot z' op het zijne. Volk. Hoera, hoera! De beste orakels zijn van Glanis, dat staat vast! En ik vertrouw mij aan ùw zorgen, beste vriend,
Voer jij het oudje, en geef opnieuw hem onderwijs! Paphlagoniër. Nog niet, ik smeek je! wacht nog eventjes, totdat Ik jou je haver en je dagelijksch brood verschaf.
Volk. Van haver wil ik niet hooren, ik ben veel te lang Door jou bedrogen, en ook door Theophanes. Paphlagoniër.
Ik zal je brood verschaffen, netjes voorgekauwd. Worstverkooper. Ik lekkere broodjes, die je niet te bijten hebt, En gebraden eten: eten is voortaan je heele taak. Volk. Vooruit, een beetje gauw dan, wie van beiden nu Ik vinden zal dat mij het meest heeft wèlgedaan, Dien geef ik de teugels van de volksvergadering.
Paphlagoniër. Ik ga het eerst naar binnen. Worstverkooper. Neen, niet jij, maar ik! (Hij stoot hem terug. Beiden af) Koor. O Volk! hoe is toch uw rijk Zoo schoon en grootsch tegelijk, Daar ieder u vreest, in 't slijk Zich werpt voor uw voeten. Want licht ontvlambaar zijt gij,
Verlekkerd op vleierij, En tuk op bedriegerij Van wie u ontmoeten! Elk sprekertje gaapt gij aan, Uw verstand schijnt op reis gegaan,
Nu duldt gij van elk voortaan Slechts vleien en groeten! Volk. In uw kruin, uw harendom Zweeft geene gedachte om, Want ik houd m' opzettelijk dom, Ben niet onverstandig!
Verheugd is steeds mijn gemoed, Wanneer men als kind mij voedt, Wanneer ik een gids ontmoet, Die stelen kan, handig! Doch als hij door euveldaân Gevuld is en welbelaân, Dan val ik hem plotsling aan, En kwak hem lostandig! Koor. Dat noem ik een wijs beleid, Ik zie dat gij waakzaam zijt,
En vol van scherpzinnigheid, Trots grijzende jaren! Want ik merk, gij speelt er mee, En gij fokt hen op als vee, Om ze voor de meeting gedwee En vet te bewaren!
En als in uw keuken dan Geen spijs meer verschijnen kan, Dan slokt ge den vetsten man Met huid en met haren! Volk.
Is dat niet een slim bestaan, De lieden die in hun waan Mij vreeselijk foppen gaan, Mij schijnbaar misleiden? Hen ga ik voorzichtig na, Voor hen voel ik geen genâ, Zoodra als zij hun papa Oplichten en mijden-- Dan betrap ik hen terstond, Onderzoek hen met mijn sond', En laat uit hun dievenmond Het braaksel weer glijden!
NEGENTIENDE TOONEEL. Volk, De Paphlagoniër, De Worstverkooper, Koor. Paphlagoniër (tot Worstverkooper) Ga naar de eeuwige zaligheid. Worstverkooper. Jij, deugniet, eerst! Paphlagoniër.
Heer Volk! ik ga hier zitten, want nu ben ik klaar Om jou, zooals ik allang begeerde, wèl te doen. Worstverkooper. En ik ben ook allanger dan lang daartoe bereid, Wel honderdmaal en duizendmalen langer dan lang. Volk. Ik wacht op jullie, en dat valt me vreeslijk lang,
Want ik verafschuw al dat gedoe in mijn belang. Worstverkooper. Weet je wat je doen moet? Volk. Niet vóórdat jij 't hebt gezegd. Worstverkooper. Laat mij en hem een wedstrijd doen van meet af aan, Wie jou het meeste weldoet.
Volk. Goed, dat zal ik doen. Vooruit dan! Paphlagoniër en Worstverkooper. Kijk! (Ze loopen tegen elkaar, en komen niets verder) Volk.
Waarom loop je niet! Worstverkooper. Je komt niet vooruit! (Hij stoot den Paphlagoniër terug). Volk (terzijde). Òf 'k heb vandaag door die twee minnaars een mooien dag, Òf 'k zal, bij Zeus, voor altijd naar den drommel gaan. Paphlagoniër. Maar zie je niet, dat ik het eerst j' een zetel geef? Worstverkooper.
Een zetel, maar geen tafel--dat doe ik het eerst! Paphlagoniër. Kijk hier dat lekker broodje dat ik breng voor jou, Dat geheel voor jou uit Pylische gerst gebakken is. Worstverkooper. Ik breng je uitgeholde kruimels, beste heer, Door de godin met ivoren handen zelf gehold. Volk.
Wat is uw vinger groot geweest, o heerscheres! Paphlagoniër. Ik breng je snert van goede kleur en lekkren smaak, Die Pallas Pylosstrijdster zelf heeft omgeroerd.
Worstverkooper. Heer Volk, 't is duidelijk dat de godin je gunstig is, Door mijne hand biedt zij j' een pot met lekkere saus. Volk. Geloof jij soms dat j' in de stad nog wonen zoudt, Als zij niet duidlijk met haar pot ons gunstig was?
Paphlagoniër. De Legerscharenverschrikster schenkt je dit brokje nog. Worstverkooper. De Sterkevadersdochter schenkt je gebraden vleesch, Een stukje pens, een stukje darm en een stukje maag.
Volk. Dat 's mooi, dat zij nog voor haar feestkleed dankbaar is. Paphlagoniër. De Helmbosfladderaarster biedt u dezen koek, Opdat de schepen voortaan glijden als een koek! Worstverkooper. Neem ook nog dit. Volk.
Wat moet ik met die darmen doen? Worstverkooper. Die stukken zendt u de godin opzettelijk, Om als ribstukken bij de schepen dienst te doen, Want onze marine gaat haar blijkbaar aan het hart. Hier heb je nog wat om te drinken, tweederdewijn. Volk. Hoe heerlijk, Zeus! een godlijke drieëenigheid! Worstverkooper. De Drieontsprotene heeft van drieën één gemaakt! Paphlagoniër. Neem nu van mij een stukje aan van vetten koek.
Worstverkooper. Van mij geen stukje, maar een heelen koek ineens. Paphlagoniër. Jij kan hem niet van haas doen smullen, dat kan ik. Worstverkooper.
O jee, hoe kom ik aan een stukje lekkeren haas? M'n beste geest! bedenk nu toch een loozen streek. Paphlagoniër.
Zie je dat, jou schurk der schurken? Worstverkooper. 'k Geef er weinig om, Want in de verte komen er lui, ik zie ze al, Het zijn gezanten met een welgevulde beurs. Paphlagoniër.
Waar, waar? Worstverkooper. 't Raakt jou niet, laat de vreemden maar met rust. (Terwijl de Paphlagoniër kijkt, pakt de Worstverkooper de hazenpastei weg).
M'n beste heer Volk, zie jij die mooie hazenpastei? Paphlagoniër (terugloopende). O jee, je hebt gestolen wat het mijne was! Worstverkooper. Jij hebt, bij de goôn, bij Pylos net als ik gedaan!
Volk. Hoe kwam j'er toe te stelen, zeg mij dat eens gauw! Worstverkooper. Een god schonk mij de gedachte, en den diefstal ik.
Paphlagoniër. Ik heb de kans geloopen, ik den haas gebraân. Volk. Ga jij maat weg! ik dank het hem, hij bracht hem mee! Paphlagoniër. Ik ongelukkige! Ik word overonbeschaamd! Worstverkooper. Kan je nòg niet onderscheiden, wie van beiden nu Het meest aan jou en aan je maag heeft welgedaan? Volk.
Zeg nu, publiek, welk kenmerk ik gebruiken moet, Dat 'k in uw oogen een rechtvaardig oordeel vel! Worstverkooper.
Ik zal 't je zeggen. Neem in alle stilte maar Mijn korf met spijzen, onderzoek wat daarin is, En wat in zijn korf is--dan is rechtvaardig wàt je beslist! Volk. Laat kijken, wat er in is. Worstverkooper.
Zie je niet, vaderlief, Dat de heele korf al leeg is? Alles gaf 'k aan jou!
Volk. Dat is een korf die bij de volkspartij behoort! Worstverkooper. Kijk nu eens naar den korf van den Paphlagoniër, Zie je dat? Volk. Mijn hemel, nù nog vol van lekkernij! Wat heeft hij daar een reuzenkoek apart gelegd!
En wat een schijntje heeft hij afgestaan aan mij! Worstverkooper. Zoo heeft hij vroeger ook altijd met jou gedaan: Hij gaf je mee van 't kleinste dat hij zelf ontving, En slokte zelf altijd de grootste brokken op.
Volk. O schurk! die mij dus bedrogen en bestolen hebt! "En ik heb u met kransen en geschenk getooid!" Paphlagoniër. Wanneer ik stal, dan was 't in 't voordeel van den staat.
Volk. Leg jij maar gauw je krans af, want ik dorst om hem Daarmee te sieren.
Worstverkooper. Leg je krans af, galgebrok! Paphlagoniër. Dat doe ik niet, want ik bezit een Delfisch woord, Waarin voorspeld is wie alleen mij kan verslaan. Worstverkooper. Mijn naam wordt daarin al te duidelijk slechts genoemd. Paphlagoniër. Ik wil nu door bewijzen onderzoeken gaan, Of jij met die orakelspreuk wel wordt bedoeld.
En daarom richt ik allereerst deez vraag aan u: Ben jij als kind bij iemand op de school geweest? Worstverkooper.
In de varkenszengplaats ben 'k met vuisten grootgebracht. Paphlagoniër. Wat zeg je daar! 't orakel brandt mij op de ziel. En wat voor sport heb jij beoefend op je school?
Worstverkooper. Valsche eeden, stelen, en een onbeschoft gezicht. Paphlagoniër. O groote Febus Apollo, wat doet gij mij aan!
Worstverkooper. Ik leerde worstverkoopen--en wat zwijnerij. Paphlagoniër. Helaas, helaas, het is voor goed met mij gedaan, Een heel klein hoopje is nog 't ééne waar 'k op drijf. Zeg mij nu nog: verkocht jij beuling op de markt, Of heb je 't altijd vóór de poort der stad gedaan?
Worstverkooper. Wel, vóór de poort, want daar verkoopt men zoutevisch. Paphlagoniër. O hemel, juist was de voorspelling van den god! Verwijdert, dienaars! mij, den ongelukkige, O krans, ga blijde weg van mij, ofschoon ik u Niet willig loslaat: 'n ander wacht op uw bezit, Geen grooter dief, maar wel een man van méér geluk.
(Legt zijn krans af) Worstverkooper. Hellenische Zeus, ù is de zege! (De slaven komen uit het huis)
TWINTIGSTE TOONEEL. Dezelfden. Een slaaf. (Demosthenes). Slaaf. Heil u den overwinnaar, wees indachtig thans Dat gij door mij de zege behaaldet. 'k Vraag u slechts Om als Phanos bij processen jouw griffier te zijn. Volk. En zeg mij nu hoe gij toch heet.
Worstverkooper. Agorákritos, Want onder twisten op de markt ben ik opgevoed. Volk. Dan vertrouw 'k mij voortaan toe aan Agorákritos, En wil niets meer weten van dien Paphlagoniër. Worstverkooper.
En ik zal heerlijk voor je zorgen, meester Volk, Zoodat j' erkent dat niemand beter in de stad Van de Praateners ooit verschenen is dan ik. (Alle acteurs verlaten het tooneel)
Koor. Wat is er schooner dan in den beginne Of aan het eind met vroolijken zinne De temmers der brieschende rossen te zingen-- En Thumantis, die geen haard kan krijgen, En Lysistratos te verzwijgen, Niet met een spotvers hen te bespringen? Hem, dien Apol altijd honger ziet lijden, Hem, die de hand langs zijn koker laat glijden,
Weenend hem smeekt, of de godheid zijn lijden Niet kan bedwingen?-- (Toezang) Van de slechten kwaad te spreken werd door niemand ooit veracht, Eerbied eisch ik voor de goeden, als men 't ware en recht betracht. Is in waarheid er een slechtaard, die verwijt en smaad verdient,
Dan behandel ik hem nimmer, bij de goden, als mijn vriend. Niemand is er, waarde hoorders, die Arígnotos niet kent, Wie maar zwart kan onderscheiden, of--'t helklinkend instrument. Deze man bezit een broeder, hem in wezen ongelijk:
De verloopen Ariphrádes, die met slechtheid loopt te kijk. Hij is niet alleen een slechtaard, want misschien ontging het mij, Niet alleen een aartsslampamper, maar hij vond nog dit er bij: Dat hij eigen lichaamsdeelen afstaat voor ontaard genot,
En een beeld is der ontaarding midden in het hoerekot. Hij bezoedelt baard en lippen, altijd dierlijk, altijd los, Zingt uit Polymnéstes' liedjes, frequenteert Oeónichos. Wie voor zoo'n verloopen kerel nu geen afschuw voelt en schrik, Wordt veroordeeld nooit te drinken uit hetzelfde glas als ik.
(Tegenkoor) Dikwijls kwam mij in slaaplooze nachten De veelvraat Kleónymos in gedachten, Hoe lukt het hem altijd maar eten te krijgen? Hij spint altijd als een spin zijn webbe Om het eten en drinken van hen die het hebben, En hun tafel beschouwt hij maar als zijn eigen! En zij--zij bidden en smeeken zeer: "Op de knieën verzoek ik u, edel heer, "Verlaat mijn tafel toch dezen keer!" Doch vergeefs is hun dreigen.
(Tweede Toezang) Men verhaalt, de drieriemschepen hielden eens vergadering, En dat een der oudste kielen toen aldus aan 't spreken ging: "Dames! heb je niet vernomen waarvan heel de stad gewaagt? Iemand heeft pas voor Karthago honderd schepen aangevraagd. 't Is die slechtbefaamde burger, 't is die zure Hypérbolos!"
Toen de dames dat nu hoorden, brak een luid gemompel los, En één van de kielen, die nog door geen manlief was betreên, Riep: "de hemel moog mij bestaan, mij gebiedt hij nimmer, neen!
Liever moge ik van den houtworm rotten tot mijn ouden dag!" Juffrouw Schepers zei hetzelfde: "neen, ik duld niet zijn gezag!" Niet voor niets ben ik getimmerd uit het kostbaar pijnboomhout!" Als d' Atheners dàt besluiten, varen w' allen, jong en oud Naar der Eumeniden tempel en naar Theseus' godshuis heen, Want als wij maar kommandeeren fopt hij niet geheel Atheen; Laat hem naar den drommel zeilen, laat hem voor zijn kraaientocht Maar de bakken te water laten, waar hij zijn lampjes in verkocht."
EEN EN TWINTIGSTE TOONEEL. De worstverkooper. Het koor. Worstverkooper. Elk zwijge aandachtig en sluite den mond, weg met alle getuigenverhooren, Men sluite terstond alle rechtbanken ook, waarin deze stad zich
verlustigt, En over ons onverhoopte geluk juich' de heele schouwburg van blijdschap! Kooraanvoerder. O morgenlicht voor het heilig Atheen, o aller eilanden toevlucht, Wat brengt gij ons voor voorspoedig bericht, dat de straten zich
vullen met vetdamp? Worstverkooper. Heer Volk heb ik door koken verjongd--van een leelijkert maakte ik een prachtvent.
Kooraanvoerder. En waar is hij thans, o menschenvriend van bewonderenswaardige vinding? Worstverkooper. Hij woont in ons viooltjesbekranst, in ons oud eerwaardig Athene. Kooraanvoerder. Hoe hem te zien? hoe is hij gekleed? wat is hij voor kerel geworden? Worstverkooper. Zooals hij met Aristides eens, met Miltiades aanzat ten maaltijd, Aanschouwt hem zelf, want ik hoor reeds gedruisch van een plechtig
geopende voorpoort. Juicht allen in koor bij het blijde gezicht van het oud eerwaardig Athene, Elks lofzang, ieders bewondering waard, waar het roemruchte Volk nu gaat wonen. Kooraanvoerder. O gezondheidstralend, viooltjesbekranst, en benijdenswaardig Athene,
Toon ons wie nu over Hellas alleen en ook over dit land zal gebieden. TWEE EN TWINTIGSTE TOONEEL.
Dezelfden. Volk. Worstverkooper. Daar is hij te zien, met een krekel getooid, vol geschitter naar d'oude gestalte,
Naar wapenstilstand, niet slakken riekt hij, als gezalfd met de heerlijkste myrre. Kooraanvoerder. Heil u, der Hellenen koning voortaan! want wij deelen van harte in uw blijdschap, Gij handelt zooals het betaamt aan den staat, en aan Marathon's zegetrofeeën!
Volk. O liefste mij der mannen, kom, Agorákritos! (de Worstverkooper nadert) Wat deedt gij goed met uw verjongingskuur! Worstverkooper. Wat? ik? M'n beste man, je weet niet hoe je vroeger was,
En wat je deed--je hieldt mij anders voor een god. Volk. Wat deed ik dan vroeger, en hoe was ik vroeger dan? Worstverkooper. Wel, vroeger, als men zei in de volksvergadering: "O Volk, ik houd zooveel van jou, van jou alleen, "Ik wil voor je zorgen, ik alleen ben j' echte vriend," Als iemand met die praatjes aan zijn speech begon,
Dan stak je je kuif op, toonde je horens-- Volk. Deed ik dat? Worstverkooper. En met zulke woorden werd je telkens wéér bedot.
Volk. Wat zeg je, dat gebeurde, en ik merkte 't niet? Worstverkooper. Omdat, bij Zeus, je ooren als een zonnescherm Te zamen klapten en zich dan weer openden! Volk. Was ik zoo dom, zoo'n onbedachtzame ouweheer? Worstverkooper.
En als er een stel redenaars aan 't spreken was, En d' een voor oorlogsschepen pleitte--d' andere Voor staatsgeld aan salarissen--wist de ééne man Zijn vijand te overtroeven, en kneep daadlijk uit.
(Volk geeft teekens van schaamte) Zeg, waarom bukt g' u? blijft ge niet zooals ge waart? Volk.
Ik schaam mij voor de verkeerde daden van voorheen. Worstverkooper. Dat was ùw schuld niet, heb daarover maar geen zorg, Dat deden zij die u bedrogen. Zeg me nu: Wanneer een schurk van een aanklager nu tot u zegt: "Je zult geen brood meer hebben, heeren rechters, hoor, "Wanneer je niet dat vonnis velt zooals ik wil." Wat zal je doen met zulk een valschen beschuldiger?
Volk. Ik til hem op, en gooi hem in den afgrond neer, En aan zijn nek mag slingeren--Hypérbolos. Worstverkooper.
Dat is verstandig, dat 's nu eens naar recht gezeid! Vertel nù, wat je verdere politiek zal zijn. Volk. Ten eerste betaal ik, wie op oorlogsschepen dient,
En van den tocht terugkeert, het volledig loon. Worstverkooper. Dat geeft pleizier aan velen, wier zitvlak pijn gaat doen.
Volk. Elk, verder, die ingeschreven voor de militie is, Zal niet door invloeden van zijn plaats verwisselen, Maar zal ingeschreven blijven evenals voorheen. Worstverkooper (ter zijde).
't Zal spijten aan het handvatsel van Kleónymos. Volk. Geen baardelooze zal meer koopen op de markt.
Worstverkooper. Waar moet dan voortaan Strato koopen en Klisthenes? Volk. 'k Bedoel die heertjes, die steeds bij den kapper zijn, En die daar zittend converseeren zooals volgt:
"Wat knappe vent die Phaeax, en wat leerd' ie goed!" "Zijn argumenten, zijn conclusies zijn perfekt," "Hij spreekt met geur, is een orateur en een charmeur,"
"En op de meetings heeft hij nimmer een malheur." Worstverkooper. Sla dien kerel op z'n achterste met z'n gezeur!
Volk. 'k Stuur al die heertjes nog veel liever op de jacht. En zal ze leeren af te laten van politiek. (Een slaaf brengt Volk een zetel) Worstverkooper.
Wanneer dat waar is, neem dan dezen klapstoel aan, En een sterken jongen, die hem voor je dragen zal: Maak hem desnoods tot klapstoel zelf, wanneer je wilt. Volk. Ik zalige kom in mijn oude levenswijs! Worstverkooper. Door dat ik jou een wapenstilstand van dertig jaar
In levenden lijve aanbied. Wapenstilstand, hier! (Men brengt een kruik wijn) Volk. O groote Zeus! hoe heerlijk is dat, bij de goôn, Mag ik een aanval op dien wapenstilstand doen?
(Worstverkooper geeft den oude de kruik) Waar haalde je dien vandaan? Worstverkooper. De Paphlagoniër Heeft die maar altijd binn' in huis voor jou verstopt, Pak aan nu! moge de wapenstilstand spoedig gaan Naar 't platteland!
Volk. En zeg den Paphlagoniër, Die dat gedaan heeft, dat een strenge straf hem wacht. Worstverkooper. Die straf zal wezen dat hij mijn beroep erlangt; Alleen zal hij zijn beuling verkoopen voor de poort, Ook zal hij knoeien met ezel- en met hondenvleesch, En dronken zal hij met meiden aan het schelden gaan, En 't water drinken, dat in de badkuip over is. Volk. Dat 's goed bedacht, want zulk een loon heeft hij verdiend, De meiden en de badknechten--daar hoort hij bij.
Jou daarentegen roep ik thans naar het stadhuis, En op dien zetel, waar hij zat, de galgebrok. Hier, neem dit groene feestkleed aan, en volg mij thans! Breng hem naar buiten, toon hem zijn nieuw vak bovendien, Dat de vreemde, steeds door hem geplaagd, het ook mag zien! (Slaven sleepen den Paphlagoniër aan handen en voeten mee, die als beulingventer, in de kleeren van den Worstverkooper, naar buiten wordt gegooid. Agorákritos, in feestkleed, volgt met het koor meester Volk).
EINDE. KORTE OPHELDERINGEN BIJ DE RIDDERS VAN ARISTOFANES. Vs. 15 Parodie van Euripides. Vs. 17 Ongeveer "Ik heb geen lef in mijn donder." Vs. 19 Toespeling op Euripides' moeder, die groentevrouw was. Vs. 31 Parodie van een onbekend dichter.
Vs. 42 Démos Pyknítes, Démos van de Pnyx (heuvel waar het volk vergaderde). Vs. 51 Drie obolen = ongeveer een kwartje, was de bezoldiging der rechters. Vs. 55 Poging om de Grieksche woordspelingen terug te
geven. Demosthenes herinnert aan zijne verdiensten bij Pylos. Vs. 107 Zware roode wijn, afkomstig van den berg Pramnos op het eiland Ikaros. Vs. 123 Bakis, beroemde oude waarzegger. Vs. 159 Parodie van een onbekend (tragisch) dichter, zooals ontelbare malen bij Aristofanes. Vs. 197 vgl. Parodie op den ouderwetschen epischen vorm en stijl
der orakels. Vs. 215 Woordspeling van démos = volk, en demós = vet. (Verschil van klemtoon). Vs. 230 Een klassieke plaats voor de politiek en de schouwburgtoestanden in Athene. Vs. 237 Dadelijk bij zijn eerste optreden komt de Paphlagoniër
(Kléon) met verzonnen beschuldigingen, als een echte sykofant. Vs. 242 Simon en Panaetios, aanvoerders van de ridders, overigens onbekend.
n bloei hebben gehad--maar in de wijzen, waarop die producten geëxploiteerd kunnen worden. De belangrijke gebeurtenis, die in dit opzicht verandering bracht, was de uitvinding der boekdrukkunst. Het staat vast, dat daarvóór van het toekennen van uitsluitende rechten op de exploitatie van intellectueele producten nooit sprake is geweest. Men heeft zich hierover wel verwonderd, omdat ook vóór de boekdrukkunst verveelvoudiging van
boeken reeds op groote schaal plaats had. In het oude Rome b.v. waren reeds "bibliopolae" gevestigd, die honderden slaven als overschrijvers in hun dienst hadden, zoodat het aantal afschriften, dat van eenzelfde boek--soms in zeer korten tijd--verspreid kon worden, zeker niet geringer was dan dat van de gedrukte exemplaren, die een uitgever kort na de uitvinding der
boekdrukkunst in denzelfden tijd kon afleveren [1]. Ook in de Middeleeuwen kon aan de steeds toenemende vraag naar boeken door de overschrijvers genoegzaam worden voldaan; in verscheidene
steden van Europa, o. a. Venetië, Parijs en Londen, waren huizen gevestigd, waar dit bedrijf, evenals vroeger in Rome, in het groot werd uitgeoefend. In ons land waren het vooral de talrijke Broeders des gemeenen levens, die zich hierop toelegden en daaraan zelfs den naam "Broeders van de penne" te danken hadden [2].
De exploitatie van letterkundige producten was dus ook vóór de toepassing der boekdrukkunst reeds van beteekenis; toch laat het zich wel verklaren, dat men er in die tijden niet toe gekomen is, een uitsluitend recht op kopie te scheppen.
In de eerste plaats zou een dergelijk recht practisch waarschijnlijk van weinig beteekenis zijn geweest, daar het in de meeste gevallen niet mogelijk zou zijn een inbreuk erop te constateeren; bovendien zou het uitsluitend tot bescherming hebben gediend van degenen
die een groot aantal overschrijvers in dienst hadden; op zichzelf staande personen, die in het overschrijven een middel van bestaan vonden, zou het onmogelijk hebben gemaakt. Doch de voornaamste reden moet gezocht worden in het feit, dat bij verveelvoudiging door overschrijvers de te behalen winst niet afhangt van het aantal exemplaren, dat van hetzelfde boek verkocht kan worden, zooals dat bij toepassing van den druk het geval is. Er worden niet, zooals bij het drukken, bijzondere kosten vereischt voor de bewerking van
nieuwe kopie, zoodat daarvoor ook geene vergelding behoeft te worden gezocht in den verkoop van zooveel mogelijk exemplaren van hetzelfde boek. Het vervaardigen van afschriften kon geleidelijk plaats hebben in overeenstemming met de vraag; zoodra een werk geen koopers meer vond, kon de reproductie zonder schade worden gestaakt en een ander ter hand worden genomen. Werd van dezelfde kopie door anderen gebruik
gemaakt om afschriften in den handel te brengen, dan leed de eerste uitgever hierdoor geen meerdere schade dan door elke andere daad van concurrentie. De drukker-uitgever echter wordt door nadruk van een door hem uitgegeven boek veel zwaarder getroffen. Het in druk uitgeven van een geschrift is--en was vooral te dien tijde, toen de drukkunst nog in haar opkomst was--altijd min of meer een waagstuk. Daar men meestal niet op den verkoop van een vast aantal exemplaren kan rekenen, blijft de kans bestaan, dat met verlies zal worden gewerkt. Vandaar dat het den uitgever er vóór alles om te doen
is, kopie machtig te worden, waarmede eene flinke oplage kan worden gewaagd. Doch de moeite en kosten daaraan besteed zullen hem weinig baten, wanneer het ieder vrijstaat, zijn boek na te drukken. De nadrukker kiest natuurlijk juist de werken uit, waarmede winst zou zijn te behalen; door de prijs zijner exemplaren iets lager te stellen dan die der oorspronkelijke uitgave, trekt hij de meeste koopers naar
zich toe. Toen de toepassing der boekdrukkunst meer algemeen begon te worden, zag men dan ook spoedig in, dat het stelsel van vrij gebruik van kopie, waaronder het bedrijf der overschrijvers tot bloei had kunnen komen, aan de ontwikkeling der boekdruk-industrie in den weg stond. Om dit kwaad te keeren, werd toen van overheidswege de meest voor de hand
liggende maatregel genomen: iemand die een boek in druk wenschte te doen verschijnen, kon op een daartoe gedaan verzoek octrooi of privilegie krijgen, dat boek gedurende een bepaalden tijd met
uitsluiting van ieder ander te mogen drukken en verkoopen. De privilegiën zijn in de meeste landen tot aan het einde der achttiende eeuw vrijwel het eenige beschermingsmiddel tegen den nadruk gebleven. Het recht--al was het dan een uitzonderingsrecht--der privilegie-houders heeft vele punten van gemeenschap met het auteursrecht en komt in omvang en strekking vrijwel overeen met het kopierecht van de tegenwoordige wetten; het tijdperk der privilegiën en octrooien is dus te beschouwen als de eerste periode in de
ontwikkelingsgeschiedenis van het auteursrecht. Om die reden moge er hier, voorzoover ons land betreft, eene bespreking van volgen. Voor het eerst schijnt in ons land een privilegie te zijn verleend in het jaar 1516 door Karel V voor Die Cronycke van Hollandt, Zeelandt en Vrieslant, beghinnende van Adams tiden tot de jare 1517 [3]. Van dat jaar af zal waarschijnlijk hier steeds de gelegenheid hebben opengestaan voor de boekdrukkers en uitgevers, om zich op
deze wijze tegen den nadruk te doen beschermen. Aanvankelijk werden de privilegiën hier verleend door den Vorst over deze landen: door Karel V en na dezen door Philips II. Uit dien eersten tijd heb ik
er slechts enkele kunnen ontdekken [4], doch het schijnt toen al niet tot de groote zeldzaamheden te hebben behoord dat zij werden verleend, want reeds in eene keizerlijke verordening van 19 Mei 1570 komt de bepaling voor (art. 13): "dat geen Printer eenig boek zal
mogen printen, waarom een ander privilegie verkregen heeft, binnen drie maanden na den dag van expiratie van 't privilegie." Toen het gezag van Philips II hier niet meer werd erkend, verleenden de Staten de privilegiën zelf.
Ook op dit punt komt de eigenaardige verhouding aan het licht, die tot aan het einde van de Republiek der Vereenigde Nederlanden bestond tusschen de Staten-Generaal en de Provinciale Staten, speciaal die van Holland, doordat elk dezer lichamen het souvereine gezag zooveel mogelijk naar zich wilde trekken. Zoowel door de Provinciale Staten als door de Generaliteit werden privilegiën verleend; de eersten waren natuurlijk slechts in ééne provincie van kracht, de laatsten golden, voorzoover zij niet uitsluitend voor de Generaliteitslanden
waren bestemd, in de geheele Republiek. Doch de rechtskracht van de privilegiën der Staten-Generaal werd niet steeds in alle provinciën erkend. Dit bleek o. a. toen de Staten-Generaal in 1632 aan de weduwe
van Hillebrant Jacobsz, van Wouw een privilegie hadden verleend voor de Statenvertaling van den bijbel, hetgeen protesten uitlokte van verschillende boekverkoopers in de Hollandsche steden, "... als niet konnende verstaen dat de Staten Generael macht hadden om Octroy te geven aen d'eene, ende verbot te doen aen d'andere..." enz. [5]. Door
de Steden van Holland werd tegen dit octrooi aangevoerd, "dat sulcks niet konde prejudiceren aen de Provinciën of Leden van dien, of om korter te spreken, dat haer Ho. Mo. geen macht hadden sulcken octroy te gheven." [6] Wel werd in 1639 door de Staten-Generaal het gegeven octrooi "geconfirmeert," maar dit belette niet, dat de bijbel door
verscheidene Hollandsche boekdrukkers werd nagedrukt [7]. Na dit voorval kwam het in gebruik, voor de door de Staten-Generaal verleende privilegiën in de verschillende provinciën attache aan te vragen; in sommige privilegiën vindt men zelfs de verplichting hiertoe uitdrukkelijk door de Staten-Generaal voorgeschreven [8]
en van Aitzema meldt, dat sinds dien tijd geen octrooi van de Staten-Generaal in Holland van waarde is geweest zonder attache [9]. Of dit tot aan het einde der Republiek zoo is gebleven, is mij
onbekend; in elk geval staat vast, dat de Staten-Generaal doorgingen met het verleenen van privilegiën voor de geheele Republiek, zooals uit het onderstaande herhaaldelijk zal blijken. Om een privilegie te verkrijgen, was het gebruikelijke middel het inzenden van een request, waarin titel en schrijver van het werk werden vermeld, soms met eene korte aanduiding van den inhoud. Een
placcaat van de Staten van Holland van 9 Januari 1686 [10] bepaalde, dat in een dergelijk request de naam van het boek moest worden vermeld; werd voor meerdere boeken tegelijk octrooi aangevraagd, dan kon met
één request worden volstaan, zoo het allen werken van eenzelfden auteur waren en zij voor den druk gereed waren; anders moesten er evenveel requesten worden ingestuurd als er auteurs waren.
Van den inhoud van het geschrift namen de Staten dus in den regel vóór het verleenen van het octrooi geen kennis; meestal stond in het octrooi de uitdrukkelijke verklaring, dat er in geenen deele alles mede werd "geapprobeerd" wat in het boek te lezen stond. Bleek later, dat een geprivilegieerd boek aanstootelijke zaken inhield, dan kon het privilegie steeds worden ingetrokken, zooals o. a. in 1677 met de Historie der Reformatie van Brandt geschiedde en in 1762 met den
Emile van Rousseau. In den regel werd een verzoek om octrooi toegestaan, doch niet altijd zóó als de requestrant het had verzocht; soms werd het b.v. verleend voor een korteren termijn dan gevraagd was of werd slechts het recht gegeven voor het drukken van het boek in ééne taal, hoewel het verzocht was voor alle talen [11].
Het gebeurde echter ook, dat het octrooi werd geweigerd [12]; de reden hiervoor is niet altijd na te gaan. Soms was het, omdat voor hetzelfde werk of een van soortgelijken aard reeds octrooi aan een ander was verleend. In de vergadering der Staten van Holland van
13 Maart 1749 werd eene aanvraag om octrooi voor afbeeldingen van verschillende verlichtingen en versieringen in den Haag afgewezen, omdat het gevraagde octrooi was "sonder eenige bepaalinge, maar in tegendeel soo generaal, dat daar soo nu als in het vervolg veele
andere Ingezeetenen van deese Provincie souden konnen werden toegebragt nadeel en prejuditie... etc." [13]. Dat voor Hugo de Groots Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheyt in de jaren 1628 en 1629 vergeefs getracht werd zoowel bij de Staten-Generaal als bij de Staten van Holland octrooi te verkrijgen, schijnt uitsluitend te moeten worden toegeschreven aan de vijandige gezindheid der Staten-leden jegens den auteur [14].
Niet altijd werd terstond op het request eene beslissing genomen; zoo bij eene aanvraag om octrooi voor eene vertaling van Hugo de Groots De vrye seevaert, etc.: "Is goetgevonden, alvoeren hierop te disponeren, dat men de voorsz. translatie sal stellen in handen D. Grotii, omme te verstaen off deselve translatie hem gevalt" [15]. Een andere maal werd het octrooi voorwaardelijk toegestaan b.v. door de Staten-Generaal in 1609 voor eene vertaling van de werken van Will. Perkinsy: "... indien den predicant Mensevoet hiertoe vorens
egeen privilegie en is geaccordeert" [16]. Men behoefde voor het verkrijgen van een privilegie niet te betalen, doch de Staten van Holland eischten voor elk door hen geprivilegieerd werk een exemplaar voor de Leidsche Universiteits-bibliotheek. Verzuim hiervan werd gestraft met eene boete van 600 gld en intrekking van het octrooi [17]. Evenzoo bepaalden de Staten van Gelderland in eene resolutie van 2 October 1738, dat van elk boek dat door de Geldersche Staten was geprivilegieerd, een exemplaar aan de bibliotheek van de
provinciale academie te Harderwijk moest worden afgestaan [18]. De privilegiën werden vooral verleend voor geschriften van allerlei soort; niet alleen voor wetenschappelijke werken, gedichten, reisbeschrijvingen, enz., maar ook voor almanakken, "schrijfkonstboucken", officieele stukken, zooals placcaten,
resolutiën, ordonnantiën, enz. enz.; oorspronkelijkheid of nieuwheid was geen vereischte: voor boeken van lang gestorven schrijvers, o. a. de klassieke Romeinen werden dikwijls privilegiën verleend, evenzoo voor vertalingen en bewerkingen; zelfs verleenden de Staten-Generaal in 1654 een privilegie voor de Correcture van de Druck-fouten, by in-advertentie in den jongst getranslateerden Bijbel
ingesloopen [19]. Voor den bijbel, waarvan in ons land honderden verschillende uitgaven het licht zagen [20], werden--althans tot aan de uitgave der Staten-vertaling in 1637--herhaaldelijk privilegiën verleend, door de Staten van Holland zelfs in één jaar aan twee verschillende personen
[21]. Dit was volkomen in overeenstemming met het doel, waarvoor de privilegiën moesten dienen, nl. bescherming van de drukkers en uitgevers, niet van de schrijvers. Indirect werden deze laatsten ook wel gebaat door het verbod van nadruk; hierdoor toch kreeg hun kopie grootere waarde voor de uitgevers, zoodat zij voor het afstaan van hun
manuscript eenig honorarium konden bedingen. Doch slechts langzaam won de meening veld, dat de intellectueele arbeid der auteurs in de eerste plaats op bescherming tegen exploitatie door anderen aanspraak
heeft, en dat het feit dat iemand een boek in druk laat verschijnen, op zichzelf nog geen reden is, om ieder ander het drukken van hetzelfde boek te verbieden. Hadden de Staten dit beginsel bij het verleenen der privilegiën voor oogen gehad, dan zouden zij ze hebben moeten
weigeren in de gevallen waar van een auteur geen sprake kan zijn (zooals b.v. bij staatsstukken) of waar de auteur al honderden jaren dood is. Een begin van wijziging in deze richting bracht de Resolutie der Staten van Holland en Westvriesland van 28 Juni 1715, waarbij o. a. werd bepaald, dat voor school- en kerkboeken, alsmede voor de autores classici geen octrooien meer zouden worden verleend, behalve voor de annotatiën, commentaren enz., die er op nieuw bij zouden zijn gemaakt. [22] Uit analoge bepalingen in andere landen blijkt, dat men elders reeds veel vroeger tot deze juiste onderscheiding was gekomen [23].
Voor den bijbel schijnt voor het laatst een privilegie te zijn verleend in 1632 door de Staten Generaal aan de weduwe van Hillebrant Jacobsz. van Wouw. Dit privilegie, waarvan hierboven reeds sprake was, gold voor 15 jaar, ingaande op het tijdstip van de eerste uitgave der Statenvertaling (1637) [24]. Na dien tijd was voor wie den bijbel wilde drukken alleen noodig het aanvragen van consent, opdat de
Staten konden controleeren, dat de drukkers zich aan den officieel vastgestelden tekst der vertaling hielden [25]. Intusschen bewijst natuurlijk het enkele feit, dat voor den bijbel geen
privilegiën meer verleend werden, niet, dat de privilegie-verleeners tot een juister inzicht waren gekomen omtrent den grond der bescherming; evenmin moet de beteekenis der resolutie van 1715 in dit opzicht worden overschat. Reeds in 1724 schijnt door de Staten van
Holland de deugdelijkheid van de bepaling op de auctores classici in twijfel te zijn getrokken. Er kwamen dat jaar een tweetal requesten in, waarin octrooi werd gevraagd voor werken van Cicero, Cato en andere Latijnsche schrijvers; op deze requesten werd niet afwijzend beschikt, doch zij werden in handen gesteld eener afzonderlijke commissie,
"om de selve te examineeren, en daar beneevens te overweegen, of de Resolutie van 28 Junii 1715 soude kunnen of behooren te werden geëlucedeert of geamplieert... etc." [26]. Wat de kerkboeken betreft schijnen de Staten zich aan de Resolutie van 1715 niet strikt te hebben gehouden, althans in 1752 moesten zij nog eens het besluit nemen--op
request van de "Leeraaren en ouderlingen van de Luthersche gemeente te Amsterdam"--dat geen privilegiën meer zouden worden verleend voor de Psalmen en geestelijke liederen bij die gemeente in gebruik [27]. Behalve de eigenlijke geschriften konden ook andere werken van de bescherming der privilegiën genieten: muziekwerken, kaarten en ook
werken van beeldende kunst. De muziekdruk werd in ons land, vooral einde zeventiende en begin achttiende eeuw, op uitgebreide schaal beoefend, zoodat zelfs Amsterdam een centrum van den wereld-muziekhandel was [28]. Wat van den nadruk van boeken is gezegd, geldt natuurlijk evenzoo voor muziek; het is daarom niet te verwonderen, dat ook hiervoor privilegiën konden worden aangevraagd. Meestal was het voor lied- en
psalmboeken, die hier in groote getale uitkwamen, soms met begeleiding voor meerdere instrumenten. In 1746 verleenden de Staten van Holland een octrooi voor verschillende muziekwerken, waartoe onder meer behoorden "tagtig a honderd Italiaansche Ariën met Instrumenten" en twee geheele Italiaansche opera's [29]. Ook voor muziek- en leerboeken werden privilegiën verleend. [30]
Een niet minder belangrijke tak van het drukkers- en uitgeversbedrijf vormde de kaarten- en atlassendruk. Op dit gebied werden hier uitgaven ondernomen, die wereldberoemd zijn geworden, zooals de atlassen van de Blaeu. Ook van deze werken kwam nadruk, of liever "nasnijden" meermalen voor, hoewel herhaaldelijk voor deze, dikwijls kostbare
uitgaven, privilegiën werden verleend. Merkwaardig is de volgende resolutie der Staten-Generaal van 27 Jan. 1618: "Is Hessel Gerritsz. caertmaker tot Amstelredam, geaccordeert een open brieff van octroy, daerby verboden wert des suppliants caerten, beschrijvingen van landen ende modellen van
caerten, soo geschreven als gedruct op eenigerley wyse na te maken, te copieren ofte divulgeren,..." etc. [31]. Dit is het eenige octrooi dat ik heb kunnen vinden, waarvan de bescherming zich ook uitstrekt op ongedrukte stukken en waarin behalve het nadrukken ook het namaken op alle mogelijke andere wijzen is verboden. Het geeft in waarheid de meest volledige bescherming, die zich--ook onder de modernste auteursrecht-wetgeving--denken laat.
Een ander soort producten, die met de kaarten vele punten van overeenkomst hebben, daar zij evenals deze noch tot de geschriften, noch tot de werken van beeldende kunst gerekend kunnen worden, zijn de voorbeelden van schoonschrift, krul- en sierletters, waarvoor ook meermalen privilegiën werden verleend. Aan Mr. Aert van Meldert, Fransche Schoolmeester te Rotterdam, verleenden de Staten van Holland
in 1585 octrooi voor door hem vervaardigde "Capitale Letteren" [32] en in 1616 werd door de Staten-Generaal aan Davidt Roelandts van Antwerpen "francoyschen schoolmeyster binnen Vlissingen" een octrooi verleend voor: "'t magasyn oft packhuys der loffelycker penneconst,
vol subtile ende lustige trecken, percken, beelden ende fiegueren van menschen, van beesten, vogelen ende visschen, ende noch meer dan hondert onderscheyden geschriften, verciert met diversche capitalen
oraculen ende gulden sententiën..." etc. [33]. De werken van beeldende kunst, waarvoor privilegiën verleend werden, waren vooral prenten, gravures en etsen, zoowel origineele als naar schilderijen gemaakte.
Soms kreeg de schilder het uitsluitend recht, om naar zijn schilderij gravures te mogen uitgeven, zooals in het octrooi aan den portretschilder Mierevelt verleend in 1607 voor "...het contrefeytsel, by hem gemaeckt van syn Exctie, hetwelk hy van meeninge is te doen nasnyden in een copere plate... etc." [34]. In dit geval is dus het
schilderij als object der bescherming te beschouwen. Een andere maal werd het privilegie direct aan den "plaetsnyder" verleend. Een voorbeeld hiervan is het octrooi van 21 Jan. 1610 aan Jac. Matham verleend voor "het contrefeytsel van den Hooch geb. grave
Hendrik van Nassauw, by Mr. Michiel van Mierevelt naer het leven gedaen ende by den suppleant in coper gesneden" [35]. Welk bestanddeel van het werk van beeldende kunst men door het verbod van namaak voornamelijk wilde beschermen, is dus moeilijk te zeggen; het ligt trouwens voor de hand dat men, ook bij het verleenen van
deze privilegiën, niet volgens een vast systeem te werk ging, maar in elk bijzonder geval naar omstandigheden besliste. Soms werd--wat met de beginselen van het auteursrecht niet te rijmen zou zijn--aan één persoon de uitsluitende bevoegdheid verleend, een
bepaald onderwerp in beeld te mogen brengen en te verspreiden, zooals in het den 28sten Juni 1603 aan Balthasar Florisz. verleende octrooi, om "voor 4 jaren alleen te mogen drucken de intogt vanden leger van
de heren staten generael der vereen. Nederlanden in Vlaenderen" en in een denzelfden dag aan Herm. Rem verleend "voor 4 jaren alleen in 't coper te mogen snyden ende uytgeven de victorie, die Godt den lande gelieft heeft te verlenen thegen des vijants galleyen voor het Gat vander Sluys." [36] Een privilegie van dezen aard
werd blijkbaar ook verlangd door den schildergraveur P. Holsteyn, die van de afgevaardigden van verschillende landen, die in 1646 te Munster voor het voorbereiden van den vrede waren bijeengekomen, portretten in den handel wenschte te brengen. In zijn Request aan de Staten-Generaal wordt o. a. aangevoerd, dat hij "...sijn voornemen bijnae ten eynde gebracht heeft en weynich resteert, omme Uwe Ho: Mo: de perfeckste gelijckenisse van alle de voorsz. Heeren Plempen in een
boeck te vertoonen... waerin wellicht andere, dien het (: sonder mij te beroemen:) daerinne niet soo wel geluckt is, mij bij Uwe Ho: Mo: souden soecken te prevenieren ende Octroy te obtineren... enz." [37].
Daarentegen werd bij gelegenheid van de Synode van Dordrecht een octrooi op de afbeeldingen dezer vergadering in dezer voege gesteld: "Is den suppliant geaccordeert octroy voor syn werk, met interdictie dat tselve niemant en sal mogen naemaecken, maer nyet privative dat anderen nyet sullen haer eygen werck mogen drucken ende vuytgeven"
[38]. Een enkele maal werden ook werken, die niet tot de graphische, maar tot de plastische beeldende kunst behoorden, geprivilegieerd. Bij resolutie van 30 Aug. 1617 verleenden de Staten-Generaal aan Caspar Planten, beeltsnyder, een octrooi voor 3 jaren, om "alleene te mogen maecken ende gieten, het werck ende patronen by hem daerentusschen
te inventeren en te boutseren" [39] en in 1619 werd aan Willem van Byler, ysersnyder, octrooi verleend om "... voor den tyt van drye jaeren naestcommende, alleene in dese vereenichde provinciën te mogen maecken, snyden, gieten ende vercoopen den nieuwen penninck dien haere Ho. Mo. hem hebben doen maecken van het Synode nationael..." [40].
Voorwerpen van kunstnijverheid werden ook door octrooien tegen namaak beschermd. Zoo wordt aan Pieter van Everdingen e. soc. in het jaar 1603 octrooi voor 6 jaren verleend om "... alleene etc. te mogen backen ende vertieren seeckere nieuwe manieren v. estricken ofte vloertichelen
van diversche couleuren ... mitsgaders om oock op dezelve manieren te maecken seecker gepatroneerde papieren ... etc." [41]. Dergelijke octrooien werden ook gegeven voor beschilderd porcelein, geborduurde zijden en fluweelen stoffen, kunstvoorwerpen van zilver, goud en marmer enz.; het is dikwijls moeilijk uit te maken, of het recht, dat door deze privilegiën wordt toegekend het meeste overeenkomt met de rechten op uitvindingen en modellen (den zoogenaamden "industrieelen
eigendom") dan wel met auteursrecht. De scherpe onderscheiding, die de moderne wetenschap maakt tusschen auteursrecht en recht op uitvindingen, was in de privilegiën-periode onbekend; dit blijkt ook uit het feit, dat soms in eenzelfde privilegie eene uitvinding wordt beschermd tegelijk met het geschrift, waarin die uitvinding wordt uiteengezet. Als voorbeeld hiervan kan dienen de resolutie der Staten-Generaal van 4 Nov. 1615, waarbij octrooi wordt verleend aan Willem Swart "... omme voor den tyt van 8 jaeren
naestcommende alleene etc. te moegen doen drucken ende vuytgeven een nyeuwe conste, daerby alle menschen, hoewel in musycque ende snarenspel gansch ongeleert ende onervaren, alderhande musicale stucken sullen kunnen spelen op violoncen ende violen de gambe, daertoe hy tot volcommen leeringe ende instructie heeft gemaeckt zeecker
bouck... enz." [42]. Een ander voorbeeld is het octrooi, den 29sten Juli 1617 aan Jan Jansz. Stampioen verleend voor eene uitvinding, waardoor de zeelui in staat worden gesteld zonder instrumenten steeds te zien "hoe hooch den polus boven den horizont verheven is". In het request wordt gevraagd "... octroy, omme alleene met seclusie van alle andere de voors. conste (de conste begerende) te mogen wysen
ende leeren, hetsy met eenige onderrichtinge die hy hem doen sal, als met eenige gedruckte exemplaren... etc." [43
privilegie aan drie verschillende personen [45]. Een uitsluitend recht van op- of uitvoering van tooneelstukken en werken der toonkunst was in den tijd der privilegiën en octrooien niet bekend. Eerst toen de meening was doorgedrongen, dat den auteur
de heerschappij over het door hem voortgebrachte werk toekomt, begon men zich er rekenschap van te geven, dat over de exploitatie door middel van op- of uitvoering evengoed als over de exploitatie door
middel van den druk de auteur alleen moet te beschikken hebben. Het kopierecht werd, zooals reeds is opgemerkt, tot bescherming van het boekdrukkersbedrijf in het leven geroepen; een dergelijke grond bestond niet ten aanzien van het op- en uitvoeringsrecht. Vooreerst is de concurrentie tusschen schouwburgen lang niet zoo scherp als
tusschen boekdrukkers; maar bovendien wisten theaterdirecteuren dikwijls ook zonder bescherming van overheidswege de uitsluitende opvoering van een stuk aan zich te houden, door n. l. niet toe te laten, dat het stuk in druk uitkwam en er streng op toe te zien, dat de enkele afschriften, die voor de spelers moesten dienen, niet in handen kwamen van derden. Op deze wijze werd reeds van de vroegste tijden af in verschillende landen gehandeld en het was daarbij dikwijls mogelijk om aan de schrijvers, die voor het tooneel werkten, ondanks
het ontbreken van opvoeringsrecht, honorarium uit te betalen [46]. Hier te lande hebben de dramatische auteurs tot aan het einde der achttiende eeuw toe waarschijnlijk slechts in zeer enkele gevallen een eenigszins beteekenend honorarium kunnen genieten.
In de "Kamers van rhetorica", die van de 15de eeuw af in grooten getale werden opgericht, was het geen gewoonte de auteurs, wier stukken werden opgevoerd, daarvoor te betalen; een enkele maal kregen zij van het stadsbestuur eene belooning [47].
In het Amsterdamsche Dichtgenootschap "Nil volentibus arduum" werd omstreeks het jaar 1680 een voorstel, om voor het afstaan van stukken ter opvoering iets in rekening te brengen, verworpen [48]. Ook de
stemmen, die zich in de 18de eeuw hier en daar verhieven, om eene geldelijke belooning voor tooneel-schrijvers te verkrijgen, hadden geen resultaat [49]. Eene eigenaardige regeling van de voorwaarden, waaronder stukken ter opvoering werden aangenomen, bestond in den in het jaar 1638 ingewijden Amsterdamschen schouwburg. Daar werden geregeld door
tooneelspelers van beroep voorstellingen gegeven; het beheer werd, van 1699 af voorgoed, direct gevoerd door de Regenten der beide instellingen van liefdadigheid, waarvoor de opbrengst bestemd was. Er werd jaarlijks eene aanzienlijke winst gemaakt, doch terwijl acteurs en actrices redelijk goed werden betaald en aan de monteering der stukken geen kosten gespaard werden, moesten de auteurs zich met enkele loodjes, d. w. z. vrijplaatsen, als belooning voor hun arbeid
tevreden stellen. Wagenaar deelt hieromtrent mede: "Die voor Poëet bij de Regenten erkend is, heeft voor den tijd van een jaar en zes weken, schoon 't, doorgaands, langer toegelaaten wordt, vrijen toegang tot den schouwburg, en hem worden, wanneer zijn Spel vertoond wordt, zes Loodjes ter hand gesteld, mits het een voorspel
van vijf bedrijven zij. Van een na- of klughtspel krijgt de Poëet niet meer dan drie Loodjes" [50].
Hieruit blijkt, dat men tenminste inzag, dat ook de poëet wiens spel vertoond werd, tot de winst van den avond meewerkte, al was de toegekende belooning bespottelijk klein, hetgeen trouwens te dien tijde reeds aan de Regenten werd verweten [51]. Daar kwam nog bij,
dat de auteur door zijn stuk af te staan, tevens de exploitatie ervan door middel van den druk uit handen gaf. Hierover vermeldt Wagenaar: "De regenten hebben octrooi, om met uitsluiting van alle andere,
de goedgekeurde Tooneelspelen te doen drukken; doch staan het regt daartoe, voor ieder Spel, af aan eenen Drukker naar hun welgevallen, met wien zij, deswege, vooraf eene overeenkomst aangaan" [52]. Wat er dus op deze wijze nog aan het stuk was te verdienen, ontging den auteur ook. Dat er voor werken der toonkunst geen uitvoeringsrecht bestond, behoeft
nog minder te verwonderen, daar concerten, alleen tegen betaling toegankelijk, bijna niet voorkwamen. De plaatsen, waar in het openbaar muziek ten gehoore werd gebracht, waren de kerk (orgelbespelingen)
en herbergen, danszalen enz. Ook in den schouwburg werd, vooral in de 18de eeuw, wel muziek uitgevoerd, doch alleen als aanvulling of begeleiding van hetgeen op het tooneel vertoond werd [53]. Evenals het auteursrecht volgens de meeste wetgevingen, was ook het recht der geprivilegieerden in tijdsduur beperkt. De termijnen, waarvoor de privilegiën verleend werden, waren zeer
verschillend. Alleen onder degenen, die in de jaren 1601 tot 1619 door de Staten-Generaal werden verleend, vond ik er van: 2 maanden, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 10 en 12 jaar. De Staten van Holland brachten--althans in het begin--hierin niet minder afwisseling [54]; van de latere privilegiën (in 't bijzonder die uit de 18de eeuw), die mij onder de
oogen kwamen, was de termijn meerendeels van 15 jaar. Voor periodieke uitgaven, zooals b.v. het Deventer almanach boexken, werden de octrooien doorgaans niet aan een termijn van een zeker aantal jaren gebonden, maar werden zij verleend aan een drukker "syn leven lanck geduyrende". Na diens overlijden werd dan, dikwijls aan de weduwe of de kinderen, een nieuw octrooi van dien aard verleend [55]. Het octrooi van de Staten van Holland van 12 Dec. 1582 aan Aelbrecht
Hendricksz., drukker van de Staten, voor "alle de gemeene Landts Edicten, Mandamenten, opene Brieven... etc.", werd eveneens verleend zonder bepaalden termijn, maar: "tot kennelijck wederseggen van de Staten" [56].
De straffen op overtreding der in de privilegiën vervatte bepalingen gesteld, bestonden uit verbeurd-verklaring van de wederrechtelijk vervaardigde of ingevoerde exemplaren en het betalen eener boete,
waarvan het bedrag meestal in het privilegie was genoemd. Ook hierin werd aanvankelijk eene groote verscheidenheid betracht; ik vond er b.v. van: "25 Goude Realen"; "20 Caroli guldens van elck Boeck"; "50 kronen 't elcken reyse te verbeuren"; "vijf en twintigh ponden van veertigh grooten"; "drie guldens voor elck Exemplaar"; enz. enz. Later kwam hierin meer eenheid; bij de Staten van Holland werd het gebruikelijke bedrag der boete 300 gld.; in de reeds genoemde
resolutie van dit college van 1715 werd bepaald, dat de boete voortaan 3000 gld. zou bedragen.
Een der belangrijkste punten van verschil tusschen de privilegiën en het moderne auteursrecht betreft de subjecten van het recht. Het auteursrecht, gebaseerd op auteurschap, komt uit den aard der zaak
alleen aan den auteur, den schepper van het product van kunst of letterkunde, en diens rechtverkrijgenden toe. Doch de privilegiën, die niet tot bescherming van het geestelijk werk zelf, maar tot bescherming van de onderneming tot exploitatie van het werk moesten dienen, werden niet aan den auteur, maar aan den exploitant, drukker of uitgever, verleend.
Bij uitzondering kwam het voor, dat de auteur zelf het privilegie aanvroeg en op zijn naam verkreeg. Dit zal wel meestal zijn gebeurd in het, hier te lande dikwijls voorkomende geval, dat de schrijver tevens uitgever was. Doch er werden ook privilegiën verleend aan personen, die zelf geen drukker of uitgever waren. Zoo consenteerden de Staten van Holland in 1587 "den Eersamen ende wel geoeffenden Adriaen
Anthonisz." om te mogen drukken en uitgeven "seecker Boecksken, by hem gemaeckt, geïntituleert, Redenen van het verloop des Jaers, &c. met een Nieuwen altijdt geduyrenden Calendrier, noch een Boeksken
... etc." zonder dat deze zullen mogen worden nagedrukt "nochte elders gedruckt zijnde dan by den Boeckdrucker, by den voornoemde Adriaen Anthonisz. te gebruyken, mogen werden gedistribueert, verkocht nochte te koop gestelt.. etc." Hier zal dus waarschijnlijk de schrijver voor eigen rekening zijne werken hebben laten drukken.
Soms werd het privilegie verleend aan de kinderen of de weduwe van den schrijver; in 1585 kreeg "Alijt Meynaerts, arme desolate weduwe wylen Adriaen Gerritsz. ... met hare kinderkens" octrooi voor de "kaerten, Instrumenten ende Practijcquen" die haar man had achtergelaten [57]. Doch er zijn ook gevallen, waar volstrekt geen reden is te vinden, waarom het privilegie nu juist aan dien bepaalden persoon en niet aan een ander wordt verleend. Aan Johannes Lydius
b.v. werd in 1611 door de Staten-Generaal toegestaan "omme alleene by Loys Elsevier te mogen doen drucken ende vuytgeven, Opera Nicolai Clemangii, die voor twee hondert jaren tegen het pausdom geschreven
zyn" [58]. Waarschijnlijk was het bezit van het handschrift of, zoo het een reeds vroeger uitgegeven werk was, van een gedrukt exemplaar, alles, wat voor het verkrijgen van het privilegie noodig werd geoordeeld. Eenmaal vond ik een privilegie verleend aan iemand, die het handschrift van het werk niet zelf bezat: aan Johan Janss. voor Johannis Drusii annotationes in Genesin etc. Onder het besluit, waarbij dit privilegie werd verleend, leest men in de Resolutiën der Staten-Generaal: "Is voorts geaccordeert te schrijven aan Abelium Curiandrum, schoonsoone van wylen den wytberoemden hoochgeleerden Johannis Drusii, dat hy Jan Janss. boeckvercooper tot Aernhem, zyns
swaegers, in handen stelle het origineel vant voors. bouck om dat te drucken" [59]. Het kon natuurlijk op deze wijze voorkomen, dat een privilegie werd verleend zonder voorkennis of zelfs tegen den wil van den auteur. Dit geschiedde o. a. met de Betoverde Weereld van Balthasar Bekker. In de uitgave van het eerste deel van dit werk van het jaar 1691 (te
Amsterdam by Daniel van den Dalen) leest men het volgend "Beright" eigenhandig door den auteur onderteekend: "Also voor den eersten druk der twee eerste boeken deses werks in 8o by Hero Nauta tot Leeuwarden een acte van Privilegie staat / op den naam van Barend Beek, Boekverkoper in den Hage / ende daar in gemeld word / dat hy besig was met dat Boek te drukken: so verklaart den Auteur: hier met sijne eigene hand / dat hy Barend Beek niet en kent / ende hem directelik noch indirectelik nooit iets te drukken gegeven heeft;
maar desen druk van alle de vier boeken in 4o aan niemant anders dan aan Daniel van den Dalen toegestaan. Derhalven kent hy voortaan geen exemplaren voor de sijne / dan die op dese wijse van hem self onderschreven zijn."
Hoewel de privilegiën steeds aan een of meer met name genoemde personen werden verleend, was het mogelijk ze aan anderen over te dragen. Ik vond althans verschillende malen van een dergelijke overdracht melding gemaakt. Daar ik bij alle schrijvers, die de Nederlandsche boekdrukkersprivilegiën hebben behandeld, de tegenovergestelde meening heb aangetroffen, n.l. dat de privilegiën onvatbaar waren
voor overdracht, schijnt het mij de moeite waard, hier eenigszins langer bij stil te staan. In Hugo de Groots Annales et Historiae de Rebus Belgicis, in 1658 in twee formaten door Joan Blaauw uitgegeven, vindt men vóórin drie verschillende privilegiën: een van de Staten van Holland, een van den Duitschen Keizer Ferdinand III en een van de Staten-Generaal. De twee laatstgenoemden waren oorspronkelijk verleend aan Petrus Grotius,
den zoon van Hugo de Groot, die blijkens de volgende verklaring, die onder deze privilegiën staat afgedrukt, zijn recht aan Blaauw had overgedragen: "Ex lege quam Caesar & Ordines Belg. Foeder. supra praescribunt, ne quis praeter Ioannem Blaeu privilegiis eorum utatur, fruatur, cupiens ego jus omne in ipsum transcripsi, Hagae Comitis, die 25 Septembris, Anno MDCLVII" [60].
Een ander voorbeeld vond ik in het boekje "Het Godtsaligh overlijden van sijne Doorluchtichste Hoogheyt Frederick Henric, Prince van Orange, Grave van Nassau etc.", waarin een privilegie van de Staten van Holland voorkomt van het jaar 1647, verleend aan den schrijver van het boek,
Johannes Goethals. Onder het privilegie staat: "Johannes Goethals heeft dit sijn recht ghecedeert en getransporteert aan Adriaen Wijngaerden, Boeckverkoper tot Leyden." In de vergadering der Staten-Generaal van 13 September 1610 [61] wordt
voorgelezen eene "acte van verclaringhe ende bekentenisse, gedaen voor notaris ende getuigen" waarin de weduwe van Lucas Jansz. Wagenaer verklaart, dat haar man "... in syn leven ende sekere jaren voor syn overlyden, vercoft, opgedragen, quytgescholden ende gecedeert heeft gehadt aen Cornelis Claesz., in syn leven bouckvercoper tot Amsterdam, alle die platen, caerten, toebehoerten ende andere gereetschappen mette gerechticheden, privilegiën ende octroyen,
daerby synde, van alle ende ieghelyke sodanige wercken ende boucken, als die voorn. haer man saliger in syn leven in 't licht gebracht ende uitgegeven laten heeft, etc." Na den dood van den voornoemden Cornelis
Claesz. verkocht diens weduwe het geheele fonds weer aan eenen derde, Jacob Leonartsz. Meyen. In hoeverre de Staten-Generaal deze beide overdrachten van privilegiën geldig oordeelden, is moeilijk uit de resolutie op te maken. Zij verleenden een nieuw octrooi aan Meyen voor "alle de wercken van wylen Lucas Jansz. Wagenaer," zonder het oude octrooi in te trekken; dit laatste had m.i. wel moeten geschieden,
indien de Staten de overdracht van onwaarde hadden gehouden, terwijl aan den anderen kant het verleenen van een nieuw octrooi onnoodig schijnt, indien de geldigheid der overdracht buiten bedenking stond.
Ook wordt van privilegie-overdracht gesproken in een request van den boekdrukker Scheurleer aan de Staten van Holland in 1749: "... te kennen gevende dat hy suppliant voor eenige jaaren tot een merkelijke somme Gelds hebbende gekogt het regt en privilegie tot het drukken en uitgeeven van het maandelijksche Boekje, geintituleert Mercure
Historique & Politique... etc." [62]. Voorts in een privilegie van 21 Juli 1702 voor het boek "Manier van Procederen enz." van Paulus Merula ten name van Adriaan Beman, waarin gezegd wordt dat vroeger
aan een ander uitgever privilegie was verleend, "wiens Regt hy Suppliant in de maand April deses Jaars 1702 met den eygendom der Copie, ende Privilegie aan sig gekogt hadde;" en in de Resolutie van
de Staten van Holland, waarbij het octrooi op den Emile van Rousseau wordt ingetrokken: "... welk werk door de voornoemde Jean Neaulme, met het zoogenaamde regt van Copie weeder is verkogt aan Marc Michel Rey... etc." Eindelijk wil ik hier nog vermelden een privilegie van
de Staten van Holland van het jaar 1716, verleend aan David Mortier voor de werken van Boileau. De Staten verklaren hierin: "... Alsoo Ons vertoont is by David Mortier, Burger en Boekverkooper binnen Amsterdam, dat hy Suppliant, op den 19 Juny 1714 van Susanne Pelt, weduwe van
Hendrik Schelte, hadde gekogt, alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie van seecker Boek, genaemt Les Oeuvres de Nicolas Boileau Despréaux, avec des Eclaircissemens Historiques donnez par lui-même,
blyckende by de verklaring aan Ons geëxhibeert, en hy Suppliant van voornemens was, het selve te herdrucken... etc." Mortier verzocht daarom een nieuw octrooi, niet omdat het oude in zijne handen niet meer geldig zou zijn, maar omdat dit slechts 300 gulden boete voorschreef, terwijl hij de boete op 3000 gulden gesteld wilde zien. Dit verzoek
werd ingewilligd [63]. Dat alle octrooien voor overdracht vatbaar waren is hiermede niet bewezen, en was blijkbaar ook te dien tijde geen uitgemaakte zaak. In een rechtskundig advies van Hugo de Groot van het jaar 1632 wordt de vraag behandeld ten aanzien van een octrooi van uitvinding; m. i. kan deze uitspraak naar analogie ook op boekdrukkersprivilegiën
toepasselijk worden verklaard. Het advies luidde: "Dunkt (onder correctie) dat alsoo 't voorsz. Octroy is verleent niet ten aansien van den persoon, maar ten aansien van de inventie, dat daarom het recht, daar bij verkregen, aan andere personen, die deselve inventie in 't werk sullen stellen, wel ende rechtelijk is getransporteerd..." etc. [64].
In sommige privilegiën wordt het recht toegekend aan een bepaald persoon "en syne Regt verkrygende" of: "en sijne Erven, of Regt verkrygende" [65]. Van dezen is de geldigheid der overdracht dus aan
geen twijfel onderhevig. Uit het bovenstaande blijkt de onjuistheid van de bewering van Mr. van den Velden [66], dat de "privilegiën persoonlijk waren, dat is: dat zij slechts aan eenen bepaalden persoon of eene bepaalde vereeniging toegestaan werden, zoodat zij niet door koop of anderszins, konden worden overgedragen en met den dood van den bevooregten persoon, of de ontbinding van de vereeniging, te niet gingen." Ik meen, dat na de genoemde voorbeelden eerder het tegendeel als regel kan worden aangenomen en dat slechts bij hooge uitzondering persoonlijke,
onvervreemdbare privilegiën werden verleend. Tot deze laatsten zal men dan wellicht hebben te rekenen die, welke zelf de bepaling inhielden, dat zij met den dood van den geprivilegieerden persoon of na opzegging door de Staten een einde namen [67]. Het verdient nog opmerking, dat in de aangehaalde mededeelingen van privilegie-overdrachten reeds enkele malen het woord kopierecht wordt gebruikt. Dit kopierecht was natuurlijk niet anders dan het
uitsluitend recht tot drukken, zooals het in het privilegie stond omschreven. Buiten het privilegie bestond geen kopierecht. Men zou geneigd zijn het tegendeel op te maken uit uitdrukkingen als:
"... alle de Exemplaeren en Copie Regt, ende Privilegie..." of: "... met den eygendom der Copie, ende Privilegie...", alsof er dus behalve het privilegie nog een afzonderlijk recht van kopie bestond. Ik vond zelfs een voorbeeld van "kopie-recht"-overdracht in een geval waar geen privilegie, dus ook geen kopierecht bestond. Op 17 Februari 1718 kocht nl. Joannes Oosterwijk, boekverkooper te Amsterdam, van Johannes de Wees "alle de Exemplaaren, van de Treurspeelen van Joost
van Vondel.... nevens de overleveringe, als mede het volle recht van Copyen", terwijl hij eerst een jaar later (5 Jan. 1719) voor deze werken een privilegie (dus een werkelijk kopierecht) verkreeg [68]. "Waarschijnlijk bedoelden de uitgevers en boekverkoopers, wanneer zij verklaarden aan anderen het "kopierecht" af te staan, daarmede alleen, dat zij van hun kant van verdere exploitatie der bedoelde kopie afzagen; het was dus niet de overdracht van een absoluut
recht, doch slechts het aangaan van eene persoonlijke verbintenis, volgens welke de eene partij aan de andere ten aanzien der kopie vrij spel liet. Misschien werden dergelijke overeenkomsten ook door derden geëerbiedigd; in elk geval zullen de leden van eenzelfde gildevereeniging onderling dit wel hebben gedaan. Maar een uitsluitend recht, dat door ieder geëerbiedigd moest worden, kon natuurlijk door zulk eene overeenkomst niet tot stand komen.
De privilegiën voor prenten en gravures werden, in tegenstelling met de boekdrukkersprivilegiën, bijna altijd aan den auteur zelf, den schilder of "plaetsnyder", verleend. Dit is ook zeer verklaarbaar, want wie een afbeelding in koper of hout had gesneden kon zonder behulp van anderen naar het door hem vervaardigde cliché exemplaren afdrukken en zal dus in de meeste gevallen wel zelf voor de uitgave
van zijn werk hebben gezorgd. Doch het kwam ook voor, dat graveurs voor anderen werkten, die dan op hun naam het privilegie aanvroegen [69]. Wie de auteur van een werk was ging den privilegie-verleeners in het algemeen niet aan, vandaar dat, zooals reeds is opgemerkt, ook privilegiën werden verleend voor werken, die eigenlijk niet als auteursproducten zijn te beschouwen of waarvan de auteurs al voor meerdere eeuwen overleden waren. Wel bracht de resolutie van 28
Juni 1715 hierin eenige wijziging, maar van veel beteekenis was dit niet. In hoofdzaak bleef alles bij het oude; van de erkenning van een recht der schrijvers op hunne werken als grondslag der privilegiën blijkt in de resolutie niets.
Hierboven heb ik al trachten aan te toonen, dat het toekennen der privilegiën uitsluitend het gevolg was van de gewijzigde verhoudingen in het uitgeversbedrijf ten gevolge van de uitvinding der boekdrukkunst en dat er niet mede werd beoogd den schrijvers eene bescherming te verleenen, die zij vroeger immers evenmin hadden genoten. Wel werkten,
zoowel hier als in andere landen, de privilegiën ertoe mede, dat zoowel de grond als de materieele waarde van het recht der auteurs op hunne producten meer dan vroeger gekend en gewaardeerd werden, maar tot het in practijk brengen van het beginsel kwam het in ons land niet vóór het jaar 1796.
De uitspraak van Bodel Nyenhuis [70], dat onze vaderen ten allen tijde toegegeven en erkend hebben, dat de schrijvers krachtens een onschendbaar recht eigenaar zijn van hunne geschriften, en dat dit het beginsel was, waarop het toekennen der privilegiën berustte, mist dan ook m. i. allen grond. In den aanhef van elk privilegie vindt men meestal de motieven en overwegingen, die tot het verleenen hebben geleid; voor zoover ik heb kunnen nagaan wordt
daarin steeds de bescherming van den drukker of uitgever als eenig doel vooropgesteld. Enkele voorbeelden mogen hier volgen: "... Van wege ons beminden Jan Corneliszoen, Alias Jan zevers' Printer, wonende binnen onser stede van Leyden Is ons verthoent gheweest, hoe dat gaerne Imprimeren en in prite legge soude dit teghenwoerdige Boeck en is een Cronycke va Hollandt En also hem datselve costelick
en moijelic vallen sal, en dat dit selve Boeck noyt gheprint en is gheweest soe en soude hi die selve Printe en Inpressie niet durren bestaen sonder te hebben brieven va Octroye en privilegie van ons... etc." [71]. "Alsoo Adriaen Gerritsz. ... ons verthoont heeft, dat hy Suppliant 't sijnen koste hadde doen translateren het Boeck genaemt het leven
van Alexander de Groote, beschreven in het Latijn door Quintum Curtium, ende dat hy Suppliant het voorschreve Boeck van meyninge ware eensdeels om sijn verschoten penningen wederom te proffijteren, ende tot gherief van een yegelijcken te Drucken ende uyt te geven, als wesende bequaem omme te lesen ende te gebruycken; dan vresende dat een ander het selve terstondt soude moghen komen na te Drucken,
't welck tot sijne schade ende bederf soude redunderen..." etc. [72]. "... Alsoo hij Suppliant beducht was, dat eenige baetsoekende menschen den arbeidt van den nieuwen druk moghten komen vruchteloos te maken..." [73]. "... Hoe dat hij Suppliant... genegen was het voorsz. Liederboek te drukken vol Noten, om te gemakkelijker geleert te konnen werden;
maar also hem hetselve veel gelt ende moeyten soude komen te kosten, ende dat hij Suppliant beducht was, dat, na het perfectioneren van het selve, hetselve door andere baatsoeckende Boekverkoopers mocht werden nagedruckt, 't gene hem Suppliant tot merkelijk nadeel ende schade soude strekken..." [74]. Wel vindt men dikwijls over den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde boeken, een afkeurend oordeel, maar dit kwam dan meestal van uitgevers, die er zelf de nadeelige gevolgen van hadden ondervonden. De nadrukkers werden gescholden voor "baetsoeckende menschen", en men verweet hun,
dat zij het onbehoorlijke niet inzagen van "in eens anders doent te treden" [75], doch eene erkenning van een recht van den intellectueelen voortbrenger op zijn product was aan zulk een oordeel vreemd. In tegenstelling met wat Bodel Nyenhuis [76], en op diens voetspoor o.a. ook Mr. de Ridder [77], verklaren, meen ik tot de bewering
gerechtigd te zijn, dat nadruk betrekkelijk veel voorkwam. Zoo werden, om enkele voorbeelden te noemen, van bijna alle Nederlandsche dichters werken nagedrukt of buiten toestemming van den auteur uitgegeven,
o.a. van: Vondel [78], Constantijn Huygens [79], Starter [80], Brederode [81], Poot [82], Jeremias de Decker [83], Jacob Cats. Met andere geschriften, waarmede dikwijls meer was te verdienen dan met dichtwerken, ging het evenzoo; [84] het waren ook niet uitsluitend onaanzienlijke drukkertjes, die zich aan het nadrukken bezondigden, zelfs iemand als de groote Willem Jansz. Blaeu is er niet vrij van gebleven, al deed hij het dan ook uit wraak tegenover andere firma's,
die begonnen waren zijne werken na te drukken [85]. Dat de nadruk niet tot de zeldzaamheden behoorde blijkt vooral uit de verschillende maatregelen, die drukkers en uitgevers onder elkander namen, om hem te keeren. Bodel Nyenhuis vermeldt [86], dat tusschen 1671 en 1674 onder de boekverkoopers een onderling accoord werd gesloten tegen het nadrukken; in 1710 werd met hetzelfde doel eene "Willige overeenkomst" gesloten
tusschen drukkers en uitgevers uit Amsterdam, Leiden, Rotterdam, den Haag en Utrecht [87]. De reeds meer dan eens genoemde resolutie der Staten van Holland van 1715 was het gevolg van een request der "overluyden" van "de Boeckverkoopers in verscheyde Steden deser Provincie," waarbij als bijlage was gevoegd "een Vertoogh, ampel
deduceerende de grieven bij de Supplianten door het nadrucken van haare Boecken geleden." Ook de in de meeste steden bestaande gilde-vereenigingen weerden zich dikwijls in den strijd tegen den nadruk; zoo wendde zich het Amsterdamsche gild in 1670 met een adres tot de Stedelijke
Regeering, waarin straffen tegen de nadrukkers worden verzocht [88]. Dat men in dezen strijd alleen belangen en geen rechten erkende, moge blijken uit de volgende bepaling van een Groninger boekverkooperscompagnie-reglement van het jaar 1724: "so wanneer aldus een werkje gedrukt moge weesen, dat in deeze stadt aftrek hadde, so sal geen van de leden mogen betwisten dat een ander lidt het soude willen nadrukken, maar volkomen vrijheit daarin hebben om het te mogen doen,
so geen andere leeden wilden dat het in compagnie gedaan soude worden, maar die van de leeden daarin sal willen, sal daer recht toe mogen hebben" [89]. Kan men dus in de privilegiën, zooals die hier te lande verleend werden, moeilijk een erkenning of toepassing van den letterkundigen eigendom zien, daar zij zich eensdeels zeer goed ook zonder dien letterkundigen eigendom laten verklaren en zij bovendien in sommige
gevallen met de erkenning van een recht der schrijvers niet zouden zijn te rijmen, daarmede is nog niet gezegd, dat de auteurs van elk recht op hun voortbrengsel verstoken waren. De privilegiën waren uitsluitend gericht tegen nadruk in den letterlijken zin van het woord, zij werden slechts verleend, zooals wij gezien hebben, voor de boeken,
die in druk uitkwamen, of waarvan tenminste het plan om ze uit te geven was vastgesteld. De vraag blijft dus open, of er niet een recht van den schrijver op zijne niet-uitgegeven geschriften werd erkend, een recht, waarvan men den grondslag dan hierin zou kunnen zoeken, dat die werken, welke de auteur niet of nog niet voor publiceering geschikt acht, hetzij omdat zij dingen inhouden, die het intieme leven van den auteur zelf
of van andere nog levende personen raken, hetzij omdat de auteur, die een naam in wetenschap of letterkunde heeft op te houden, eene publicatie met zijn schrijverseer niet in overeenstemming acht, zonder
zijne toestemming niet ter algemeene kennis mogen worden gebracht. Het hierbedoelde recht, dat in vele moderne auteursrecht-wetgevingen wordt erkend, moet niet verward worden met het auteursrecht; terwijl dit laatste is een vermogensrecht, strekkende om de exploitatie van een
geschrift of kunstwerk uitsluitend aan den auteur voor te behouden, hebben wij hier te doen met een zoogenaamd persoonlijkheidsrecht, dat niet de heerschappij geeft over een bepaald goed, maar dat dient
ter bescherming der persoonlijkheid des auteurs tegen ongewenschte openbaarmaking van hetgeen deze voor zich wil houden.
Of nu een dergelijk recht in den tijd der privilegiën werd erkend, is moeilijk uit te maken. In de meeste gevallen kan een schrijver er wel voor zorgen, dat zijn handschrift niet in handen komt van personen, die er misbruik van zouden maken, m. a. w. de eigendom van het handschrift geeft dan al de gewenschte bescherming en een afzonderlijk recht is daarvoor niet noodig. Dit recht heeft dus slechts beteekenis in de
gevallen, dat een onuitgegeven geschrift niet door ontvreemding maar door toevallige omstandigheden een ander in handen komt; de vraag is dus, of de schrijver zich in een dergelijk geval tegen het laten drukken en uitgeven van het geschrift kon verzetten. Voldoende gegevens, om op deze vraag een stellig antwoord te kunnen geven, heb ik niet gevonden; enkele bijzonderheden, die als aanwijzigingen kunnen gelden om haar ontkennend op te lossen, laat
ik hier volgen. In eene briefwisseling tusschen Hugo de Groot en eenige zijner naaste verwanten en vrienden in de jaren 1623 en volgende wordt herhaaldelijk gesproken van de omstandigheid, dat van de Groot's Inleydinge tot de Hollandsche rechtsgeleertheid, welke de schrijver oorspronkelijk uitsluitend voor zijne kinderen en zijn jongsten broeder had bestemd, verschillende afschriften in omloop waren. Op grond daarvan wordt hij aangemaand zelf tot de uitgave van dit werk over te gaan, vóórdat anderen hem daarin vóór zouden zijn; De Groot achtte deze waarschuwing
niet ongegrond en besloot ten slotte om de genoemde reden zijn werk te doen uitgeven. Het blijkt echter niet, dat hij in eene uitgave buiten zijn toedoen en toestemming door een ander iets onrechtmatigs zou hebben gezien; wel duidt hij in een zijner brieven met plagium
aan het feit, dat afschriften in handen van anderen waren gekomen [90]. Wat Hugo de Groot nog tijdig had weten te verhoeden, overkwam een ander schrijver in de 16de eeuw: den dichter Starter, wiens Lusthof arglistig
buiten zijn weten werd gedrukt. Dit wekte wel zijne verontwaardiging, hij noemde het: "'t Onredelijckste stuck, d' onlydelijckste smart, Die immermeer aen my betoond is of bewezen" [91]. doch eene krenking van zijn recht scheen ook hij daarin niet te zien. Van een dergelijke behandeling was eenigen tijd later Hubert Kornelisz. Poot het slachtoffer. Poot had een lofdicht "op zeker braef en kunstryk Heer" gemaakt, dat hij niet door den druk publiek
gemaakt wilde hebben. Doch buiten zijne voorkennis wist de drukker het te bemachtigen en toen Poot hem wilde verhinderen het in druk uit te geven, kreeg hij tot bescheid: "Ik zal 't evenwel drukken; het is niet meer in uwe magt. Wilt gij derhalve, om vrienden te blijven,
weder een ducaton hebben... ik zal hem u geven; dien waeg ik er aen, en anders zal ik evenwel met drukken voortvaren." Poot moest, naar hij zelf verklaart, zich hierbij wel neerleggen en nam dus ook maar den dukaton in ontvangst, die hem echter tot zijne verontwaardiging "aen veelerlei soort van ander gelt" werd uitgeteld [92].
Wijzen de bovenvermelde gevallen op het ontbreken van een recht der schrijvers op hunne onuitgegeven werken, er bestaat een placcaat van de Staten van Holland van 30 April 1728, dat aan eene bepaalde categorie van auteurs, die in het bijzonder aan het gevaar blootstonden
hunne werken zonder hunne toestemming te zien uitgeven, dit recht uitdrukkelijk toekende. Dit placcaat bepaalde: "dat van nu voortaan niemand hier te Lande sal mogen doen drukken eenige Boeken, op den naem van Professoren of andere Leedemaaten van onse Universiteyt te Leyden, die te vooren noyt gedrukt zijn geweest, als haare Schriften, Lessen &c. onder wat titul het soude mogen weesen, tenzij hij alvoorens daar toe sal hebben verkreegen het schriftelyk Consent van deselve,
of van haare Erfgenaamen..." etc. [93]. Wat hier aan de Leidsche professoren werd verleend was dus wel het recht, waarop mijn onderzoek nu is gericht; en dat men met dit placcaat ook werkelijk bescherming van den auteurs-eer beoogde, kan blijken uit de overweging: "Alsoo Wy bevinden, dat door het drukken en uitgeeven van Boeken op den naam van Professoren en andere Leedematen van onse Universiteyt te Leiden, buiten haar kennis, veel groove fauten en abuisen in deselve
Boeken worden gecommitteerd, en selfs veel erroneuse en onwaare stellingen werden in het ligt gebragt, tot merkelijke klein agting van deselve Professooren en andere, en haare goeden naam, soo buiten als binnen 's Lands, ook tot groot nadeel der goede Weetenschappen... etc."
Intusschen valt uit deze bepaling, die uitsluitend ten behoeve der Leidsche Hoogleeraren strekte, niets af te leiden omtrent de vraag of dit recht ook in het algemeen voor elken schrijver of redenaar
werd erkend. Ik meen te mogen vermoeden dat dit niet het geval was en dat dus het hier besproken placcaat, evenals de privilegiën niet is te beschouwen als de erkenning van een bestaand recht, maar als een uitzonderingsmaatregel. Met andere met het auteursrecht in verband staande rechten, zooals bijvoorbeeld het recht zich er tegen te verzetten, dat misbruik van den auteursnaam wordt gemaakt, zal het wel evenzoo gesteld zijn geweest.
Vondel beklaagt zich hierover o. a. in deze termen: "De gewinzucht zommiger boeckverkooperen, meenende uit mijnen naem winst te trecken, ontzien niet op een byzonder bladt, of in boecken, in Hollandt en elders, op mijnen naem te drucken dichten bij anderen gedicht, en inzonderheit in Zuidthollant, daer men op den tytel van
Vondels poëzye, druckt en herdruckt, en vermeert vele dichten, daer ick zoo weinigh kennis en schult aen hebbe, als het kint dat noch te baeren staet" [94].
Tegen dergelijke practijken was in die dagen in rechte niets te beginnen; Vondel moet het zelf constateeren: "Tegens deze ongeschicktheit, en moetwillige boosheit schieten my geen wapens dan mijn gedult over." Dit blijkt ook uit de volgende woorden van Justus Lipsius, (in de voorrede van De Cruce, Amstel. 1670) hoewel daarin, meer dan in die van Vondel, een gekrenkt rechtsbewustzijn tot uiting
schijnt te zijn gekomen: "Ego semel et serio testor, audite qui in Europa: Nihil meum est aut erit, quod non de autographo meo et me volente sit expressum. Quicunque aliter, mihi injuriam facit, vobis fucum" [95].
In andere landen werd het recht der auteurs, zij het dan ook in vergelijking met nu op zeer gebrekkige wijze, veel eerder erkend en geregeld dan bij ons. In Bazel en Neurenberg bestonden reeds in het midden der zestiende eeuw algemeene voorschriften, die den nadruk, ook van niet-geprivilegieerde werken, verboden [96]. Engeland had
reeds in 1709 eene wet op het auteursrecht en in Frankrijk, waar het privilegie-stelsel tot aan de revolutie in stand bleef, won toch in den loop der achttiende eeuw de letterkundige eigendom meer en meer veld en vond zelfs bij rechterlijke beslissingen toepassing [97]. Dat dit beginsel in onze Republiek niet zoo spoedig aanhang en
toepassing vond, kan wellicht hierdoor worden verklaard, dat onze boekhandel, vooral in de 17de en 18de eeuw, voor een groot deel bestond van de producten van buitenlandsche, meest fransche schrijvers. De groote vrijheid van drukpers die hier in vergelijking met andere landen, heerschte, maakte dat vele buitenlandsche schrijvers, die in
hun eigen land hunne werken niet durfden of konden laten uitgeven, hun toevlucht namen tot een Nederlandschen uitgever. Bovendien waren de voortbrengselen der Nederlandsche drukkunst terecht zeer gezocht; de namen Elzevier, Plantijn, Wetstein, Blaeu en anderen waren door geheel Europa bekend en vele schrijvers stelden er een eer in, hunne geschriften door een van die beroemde huizen te zien gedrukt.
"De Hollandsche boekhandel heeft, gedurende bijna eene eeuw, zig verrijkt met het drukken van boeken, van welken hem, de manuscripten uit Frankrijk gezonden werden, of die zij op de fransche drukken nadrukten; of die voor hen hier te lande bearbeid werden" [98].
De schrijver van Hollands Rijkdom waaraan bovenstaande woorden zijn ontleend, vermeldt in hetzelfde werk [99] enkele uitlatingen van Voltaire over de Nederlandsche uitgevers: "...een amsterdamsch boekverkooper, die nauwelijks eene A voor eene B kende, won een
millioen, omdat er Franschen waren, welke om den broode schreven." "De hollandsche boekverkoopers winnen jaarlijks een millioen, omdat de Franschen vlug van geest zijn." Al drukt Voltaire zich hier wat sterk uit, een grond van waarheid ontbreekt zeker niet aan zijne beweringen.
Ook op het gebied van den muziekdruk waren het vooral werken van vreemde componisten, die hier te lande werden gedrukt [100].
Waar dus het uitgeversbedrijf en de boekhandel jaarlijks schatten in het land brachten, terwijl de schrijvers grootendeels vreemdelingen waren, ligt het voor de hand, dat men de bescherming der boekdrukkers
als hoofdzaak bleef beschouwen en zich niet zoo spoedig ontvankelijk betoonde tot het erkennen van de rechten der auteurs. De "schatten", die door de drukkers en uitgevers werden verdiend,
mogen in bovenstaande citaten misschien min of meer overdreven zijn voorgesteld, in ieder geval is het bekend, dat hun bedrijf, vooral in de 17de eeuw, aanzienlijke winsten kon opleveren. Gaat
men daartegenover na, wat de schrijvers voor hun werk maakten, dan valt daaruit gemakkelijk af te leiden, dat het leeuwenaandeel van hetgeen met hunne geschriften werd verdiend niet voor hen maar voor de drukkers en uitgevers was.
Over het weinige, dat de schrijvers voor het tooneel voor hun werk kregen, is al gesproken. De exploitatie door den druk bracht wel eens meer, maar toch gewoonlijk ook niet veel voor de auteurs op. Gaf men
in den schouwburg aan den tooneeldichter als eenige vergelding een aantal "loodjes", de uitgevers gaven dikwijls als eenig honorarium een aantal exemplaren van het boek. In een brief van Abraham Ortel aan den geschiedschrijver Emanuel van Meteren, gedateerd 17 November 1586,
leest men o. a.: "My dunckt, so veele als ick in onzen tyt bevonden hebbe, so hebben de aucteuren selden gelt van haer boeken, want meest wordense aen druckeren gesconken. Dan sy hebben wel gemeynlijcken wat exemplaren alse gedruckt sijn, ende dan oock wachten se gemeynlijcken wat van de dedicatie, idque pro Maecenatis aut patroni liberalitate, die dicwils ende oock meest (geloove ick) hem mist. Ick hebber oock
by geweest dat Plantyn 100 daelders toe creech van den aucteur, om dat hy syn boeck drucken soude willen.... Plantyn heeft nu corts noch een boexken aengenomen, daer hy 200 gulden toe sal hebben" [101]. De waarheid dezer mededeelingen omtrent Plantijn vindt men bevestigd door Max Rooses in diens bekende werk over den Antwerpschen drukker
en uitgever. Daar worden nog vele voorbeelden genoemd van schrijvers, die een som gelds toe moesten betalen, waarvoor zij dan meestal een aantal exemplaren van het werk ontvingen. Doch gewoonlijk hadden de
auteurs niets te betalen, maar kregen zij evenmin eenig honorarium. Aan sommige gaf Plantijn een geschenk in boeken; slechts in zeer enkele gevallen gaf hij eene renumeratie in geld [102]. In de zeventiende eeuw was het in het algemeen voor de auteurs waarschijnlijk niet veel beter gesteld. Van schrijvers, die zich met hun arbeid verrijken, hoort men niet; als er iets met een boek te verdienen is, strijkt de drukker dit meestal op. Zoo schrijft Maria van Reigersbergh aan haar echtgenoot in een brief van 12 Augustus 1624 o. a.: "Ick hebbe met Erpenius gesproecken raeckende het drucken van U. E. bouck. Zoo veel hebbe ick wel verstaen, datter wel profyt mede
te doen is, het tselve tot onse kosten te laeten drucken, maer het kompt altemael aen op het distribuweeren ende datter qualyck geldt wt de bouckverkoopers handen te crigen is" [103]. In een volgend
schrijven raadt zij Hugo de Groot, een paar honderd exemplaren van den uitgever voor zich te bedingen [104].
De volgende versregels van Jeremias de Decker in zijn Lof der Geldzucht over de poëten geven een soortgelijken indruk van de toenmalige verhoudingen tusschen schrijver en uitgever: "En vloeit er wat gewins uit hunne rymery, 't Valt hunnen buidel mis en doet de borze zwellen Der loozer druckeren en hunner metgezellen; De Dichter zaeit en plant, de Drucker maeit en pluckt."
De dichtkunst werd slecht betaald en het gevolg was, dat de poëten soms op thans minder gebruikelijke wijze geld uit hun verzen trachtten te slaan, b.v. door zich onder de hoede te stellen van een Maecenas, of door het vervaardigen op bestelling van gelegenheidsgedichten. Een eigenaardig voorbeeld van exploitatie der dichtkunst deelt Prof. Kalff
mede: [105] de dichter Jan Jansz. Starter sloot in 1622 met een twintigtal Amsterdammers een contract, waarbij deze "lyefhebbers van de Nederduytsche poësy" zich verbonden, aan Starter wekelijks 12 carolus-guldens uit te keeren; daartegenover nam Starter de verplichting op zich, in Amsterdam te blijven wonen en o. a. gedichten
voor hen te schrijven tegen drie stuivers de bladzijde. Ten slotte nog een voorbeeld van schraal dichter-honorarium uit het begin der achttiende eeuw: Hubert Korneliszoon Poot kreeg voor de eerste uitgave zijner gedichten--en dat nog niet zonder moeite--zes exemplaren van zijn werk en een "Grootmediaen Bybel" van den uitgever. Later verweet deze uitgever hem "dat er langer geen gedicht van (Poot) ter persse was te krijgen, of daer most een stuk
gelts voor zyn"; in antwoord op dit verwijt verklaarde Poot echter, dat hij, alles bij elkaar, nooit meer van hem had losgekregen dan "de arme waerde van twee zilvere dukatons". Van eene bescherming tegen den nadruk die zich over verschillende landen uitstrekte, kwam in het tijdperk der privilegiën natuurlijk
weinig in. Toch gelukte het soms aan een uitgever zich ook buiten de landsgrenzen bescherming te verzekeren. Een van de oudste en merkwaardigste voorbeelden hiervan geeft de beroemde bijbeluitgave van Christoffel Plantijn, die in de jaren 1569-1572 te Antwerpen het licht zag. Voor dit werk waren privilegiën verkregen in de volgende landen: Venetië, Duitschland, Arragon en Castilië, de Nederlanden, Brabant,
Napels en Frankrijk. Bovendien had paus Pius V er een privilegie voor verleend, waarbij aan ieder katholiek op straffe van excommunicatie werd verboden, binnen twintig jaar dezen bijbel na te drukken of te verkoopen zonder toestemming van Plantijn. Voor de inwoners der
kerkelijke Staten kwam bij deze straf nog een boete van 2000 gouden dukaten en verbeurdverklaring der nagedrukte exemplaren [106]. Bodel Nyenhuis [107] maakt melding van een octrooi, door den Franschen koning Hendrik IV in het jaar 1594 verleend aan Franciscus Raphelengius
voor Cyclometrica Elementa van Justus Scaliger, een werk, dat ook in Nederland geprivilegieerd was. Een ander voorbeeld is de reeds genoemde uitgave van de Annales van Hugo Grotius, voorzien van privilegiën van de Staten-Generaal, de Staten van Holland en keizer Ferdinand III. Ook blijkt van eene dergelijke gelijktijdige bescherming in verschillende landen uit de resolutie der Staten-Generaal van 10 Sept. 1609 [108]:
"Is Octavio van Veen geaccordeert octroy, omme voor den tyt, dat hem gelyk octroy is gegunt, by den keyser, coningen van Vrankryk ende Spangien, mitsgaders die ertshertogen, alleene inde Vereenichde
Provinciën te mogen snyden in 't coper of hout,... etc." Soms wendde zich de Regeering van een ander land tot onze Staten, om de bescherming van een in het buitenland uitgekomen boek hier in te
roepen. In de vergadering der Staten-Generaal van 28 Aug. 1703 wordt melding gemaakt van "een missive van den Heere Churfurst van de Paltz", waarin wordt medegedeeld, dat de Heidelbergsche professor Johannes Andreas Eysenmenger een boek had geschreven genaamd Het ontdeckte Jodendom, en waarin den Staten verzocht wordt: "dat Haer Ho: Mog:
geliefden sodanige nadruckelijke ende ernstige ordre te stellen, en die voorsieninge te laten doen, ten eynde het nadrucken van het voors. werck, als oock het verkopen van dien, in derselver gebiedt en Landen mogte werden verboden". Een brief van gelijke strekking van den "Churfurst van Mentz", handelende over hetzelfde boek Het Jodendom ontdeckt werd eenige weken later in de vergadering besproken [109]. In 1745 richtte zich de koning van Pruisen met een dergelijk verzoek tot de Staten-Generaal. Van zijne missive werd door den Raadpensionaris in de vergadering der Staten van Holland van 20 Nov. 1745 mededeeling
gedaan. De koning van Pruisen was bevreesd, dat men in Holland "de Memoires van de Sociëteit der Weetenschappen in sijne Majesteits Residentie geëtablisseert" zou nadrukken en richtte zich tot de
Staten "... in die ongetwyffelde hoope, dat deselve het verlangde verbod tot verhindering van de gevreesde nadrukking niet souden difficulteeren... etc." [110]. Wat de beslissing der Staten is geweest op deze verzoeken, heb ik niet kunnen vinden; de Staten-Generaal verwezen de zaak naar de Staten der Provinciën "om daer omtrent sodanige ordre te stellen, als sullen oordeelen te behooren." De Staten van Holland hadden in
de reeds meermalen genoemde resolutie van 1715 o.m. besloten: "Dat de Boecken, waar op de voorschreve octroyen sullen werden versoght, sullen moeten toebehooren in vollen eygendom ten minste voor het
grootste gedeelte, aan Ingezetenen van desen Lande, ende hier te Lande gedruckt sullen moeten zijn." Indien zij zich in 1745 hieraan nog hielden, zal het laatstgenoemde verzoek dus wel door hen zijn
afgeslagen. In elk geval blijkt uit deze missives, dat men toen reeds de nadeelige gevolgen van den buitenlandschen nadruk ondervond. Na hetgeen hierboven is gezegd behoeft het niet te verwonderen, dat men in het algemeen hier te lande niets onrechtmatigs zag in het
nadrukken van in het buitenland uitgekomen werken. Dikwijls werden zelfs voor deze nadrukken privilegiën verleend en dit gaf aanleiding tot de vraag, of door deze privilegiën ook het invoeren en verkoopen van de origineele buitenlandsche uitgave werd verboden.
In een request van eenige Amsterdamsche uitgevers aan de Staten van Holland van het jaar 1722 wordt deze kwestie besproken. Zij gaven er o.a. in te kennen: "... dat niettegenstaande tot noch toe alle de origineele Fransche Drucken van les oeuvres de Molière,
Corneille, Racine en meer andere, schoon de selve hier te Lande met privilegie van haar Edele Groot Mog. herdruckt wierden, hier vry en onverhindert inquaamen en vertiert wierden, eenige Boeckverkoopers tot Parys hadden konnen goetvinden Boecken, hier te Lande uyt de Engelsche en andere Taalen met seer swaare kosten in de Fransche Taale overgeset, te herdrucken, en op de selve aldaar Privilegie te verkrygen, om daar door het inkomen en vertieren der origineele
Hollandtsche Drucken te weeren, en sulcks tegen het voorrecht, dat sy hier te Lande genooten... Dat dewyl nu de Supplianten sich (onder reverentie) verbeelden, dat de intentie van Vranckrijck in het
verleenen van des selfs Privilegiën niet geweest was, om het vertier der Hollandtsche Drucken te verbieden... versoeckende derhalven, dat de saake ter Generaliteyt daar heenen moghte werden gedirigeert, om aan het Hof van Vranckrijck te vertoonen het ongelijck, het geen de onderdaanen van deesen Staat door de interpretatie van de voorgewende Privilegiën aangedaan wierdt... etc." [111].
Of naar aanleiding van dit request met de Fransche Regeering in overleg is getreden, weet ik niet te zeggen. Wel schijnt de vraag de Staten van Holland nog later te hebben beziggehouden; ten minste in
1730 werd aan eene commissie uit hun midden opgedragen, te examineeren "... of eenige andere, en beetere, ordre soude konnen worden uitgedagt omtrent het nadrukken van Boeken, die buiten 's Lands gedrukt mogten
zijn" [112]. Met dezelfde kwestie had waarschijnlijk ook te maken de mededeeling van den Raadpensionaris in de vergadering van 5 October 1735: "... dat aan hem is voorgekoomen, dat in de Octroien, welke van tyd tot tyd door haar Edele Groot Mog. verleent worden tot het drukken van Boeken, geïnsereert zijn eenige Clausulen, welke aanleiding geeven
om het debit der Boeken hier te Lande gedrukt buiten 's Lands seer difficil te maaken, tot nadeel van de commercie der Boekverkoopers in deese provincie." Men besloot de zaak te onderzoeken en te overwegen
"of, en wat, veranderingen in deese Octroien souden konnen en behooren gemaakt te worden, en wat voorsiening verders soude konnen werden gedaan tot beneficieering van de Drukkerye en Boeknegotie in deese
Landen" [113]. Men ziet uit deze laatste toevoeging weer een bewijs van de groote zorg, die de Staten voor "Drukkerye en Boeknegotie" aan den dag legden. In sommige octrooien uit dienzelfden tijd van de Staten van Holland voor hier te lande uitgegeven nadrukken van vreemde werken wordt
uitdrukkelijk vermeld, dat de origineele uitgave er niet door wordt geweerd. Zoo komt in een octrooi van het jaar 1737 de volgende clausule voor: "...des dat door het verleenen van het selve Octroi niemand sal worden belet hier te Lande te debiteeren den Engelschen Druk van het voorschreeven Werk..." [114] en in een van het daaropvolgend jaar:
"...doch door dit octrooi zal niet worden belet, dat de origineele Pruissische Druk van hetzelfde werk hier wordt ingevoerd, uitgegeven of verkocht" [115]. Hieruit blijkt, dat men de billijkheid tegenover buitenlandsche uitgevers niet geheel uit het oog verloor, al kunnen wij volgens de thans geldende begrippen, hierin niet--zooals in het
bovengenoemd request wordt gedaan--een "voorrecht" voor hen zien. Het enkele feit, dat voor nadrukken privilegiën werden verleend, bewijst dat men nog ver afstond van eene internationale bescherming.
Toch schijnt reeds in het midden der 18de eeuw bij een Nederlander het denkbeeld te zijn opgekomen van het samengaan van verschillende staten, om door algemeene voorschriften den nadruk te weren. Verschillende schrijvers maken er n.l. melding van, dat op het Vredescongres te Aken in 1748 door een Nederlandschen boekhandelaar een voorstel tot bestrijding van den nadruk werd aangeboden met het verzoek, dat alle vertegenwoordigde Staten dit zouden aannemen en het daartoe in het vredesverdrag zou worden opgenomen. Van dit, voor de geschiedenis
van het internationale auteursrecht voorzeker zeer belangrijke, voorstel is het mij, ondanks enkele nasporingen, niet gelukt meerdere bijzonderheden te weten te komen [116]. Dat het niet tot uitvoering is gekomen, behoeft nauwelijks te worden vermeld; waarschijnlijk heeft het zelfs bij geen der Akensche gedelegeerden een punt van ernstige overweging uitgemaakt.
§ 2 Onze wetgeving op het auteursrecht van het einde der achttiende eeuw tot dezen tijd Met het privilegie-stelsel werd hier te lande het eerst in de provincie Holland gebroken. In het jaar 1796 vaardigde het Provinciaal Bestuur van dit gewest eene Publicatie [117] uit, waarvan het eerste artikel luidde: "Dat van nu voortaan geene Privilegiën of Octroijen tot het drukken
en uitgeven van eenige Boeken of Stukken zullen worden verleend, als strijdende tegen de thans aangenomen grondbeginselen, volgens welke ieder Ingezeten een aanspraak heeft op de beveiliging van zijnen regtmatigen eigendom."
In het volgend artikel werd aan ieder boekverkooper binnen de provincie, die een origineel werk uitgaf, waarvan hij het kopierecht had verkregen, het uitsluitend recht toegekend, dat boek te drukken en uit te geven. Men erkende dus een "eigendomsregt" op geschriften, dat zijn oorsprong
vond in den auteur, doch de bescherming werd niet aan deze laatsten, maar aan de uitgevers verleend. Al komt deze regeling, zooals o.a. door Mr. de Ridder wordt opgemerkt [118], in de gevolgen voor de auteurs vrijwel op hetzelfde neer, daar zij zich bij contract tegen eventueele willekeur der uitgevers konden beveiligen, er blijkt toch uit, dat al waren de privilegiën afgeschaft, het beginsel, dat er aan ten grondslag had gelegen, nog bleef nawerken. Over de schrijvers wordt in de geheele publicatie niet gesproken.
Het kopierecht, dat aan de uitgevers werd verleend, ging op hunne erfgenamen over en was--in overeenstemming met den naam "eigendomsregt" dien men er aan gaf--eeuwigdurend (art. 2); er behoorde ook toe de uitsluitende bevoegdheid, vertalingen en verkortingen van het geschrift in het licht te geven (art. 4). Daar echter de publicatie alleen in de provincie Holland van kracht was, had de bescherming, die zij verleende, niet zoo heel veel te beteekenen.
Ten opzichte der internationale verhoudingen huldigde de publicatie nog dezelfde beginselen, die in den privilegiën-tijd heerschende waren. Nadruk van in het buitenland (d.i. buiten de provincie Holland) uitgekomen boeken werd niet alleen niet verboden, maar werd zelfs alsof het eene oorspronkelijke uitgave was, tegen verdere nadrukken
beschermd (art. 5). De "regtmatige eigendom" van vreemdelingen werd dus niet geëerbiedigd; de Hollandsche uitgever, die er zich het eerst van meester maakte, gold als rechthebbende. Hetzelfde gold voor de uitgave eener vertaling van een buitenlandsch werk (art. 6). De uitgever behoefde voor het vestigen van zijn recht niet eens met de uitgave,
den nadruk of de vertaling begonnen te zijn; reeds het voornemen om dat te doen verschafte, mits behoorlijk in de nieuwsbladen geadverteerd, een "regt van praeferentie", waardoor anderen verhinderd werden van dezelfde kopie gebruik te maken (art. 7). Bijbels, testamenten, kerk- en schoolboeken, almanakken en tijdwijzers waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 8); van staatsstukken, "welke als den eigendom van het Volk van Holland moeten
worden beschouwd", behield het Provinciaal Bestuur het kopierecht aan zich (art. 9). De eerste wet op het auteursrecht, geldende voor alle provinciën, was de Publicatie van het Staatsbewind der Bataafsche Republiek van 3 Juli 1803 [119]. Ook hierin was de bescherming der uitgevers nog hoofdzaak; er werd nu echter ook van de "opstellers" der boeken gesproken, die
in de publicatie van het provinciaal Bestuur van Holland niet eens waren genoemd. Het kopierecht werd verleend aan ieder, die "in de Bataafsche Republiek een oorspronkelijk werk uitgeeft, waarvan hij het gewoonlijk alzoo genoemd, Regt van kopij of bezit, omdat hij zelf daarvan de opsteller is, of om niet, of voor geld, of op eene andere,
mits wettige wijze, bekomen heeft" (art. 2). Deze bepaling zou practisch ongeveer dezelfde gevolgen hebben gehad, indien als subjecten van het auteursrecht eenvoudig waren aangewezen--zooals in art. 1 van onze tegenwoordige wet--"de auteur
en zijne rechtverkrijgenden." Het verschil ligt echter niet alleen in de meer omslachtige formuleering. Van een recht op het geestelijk product, toekomende aan den auteur onafhankelijk van de vraag of, en zoo ja hoe hij zijn werk wenscht te exploiteeren, had men blijkbaar nog geen klaar begrip. Dit blijkt ook uit de overwegingen, die het Staatsbewind der Bataafsche Republiek over deze wet aan het Wetgevend
Lichaam deed toekomen [120]. Daarin wordt als doel van de wet, naast bevordering van den boekhandel, waarvan het eerst wordt gesproken, nog genoemd:
"1o. de bevordering der verlichting en der wetenschappen in ons Vaderland en 2o. de zekerheid der ingezetenen, dat door een dergelijke Wet, hun vrije handel niet meer werd beperkt, dan volstrekt vereischt wordt, tot maintien van een ieders wettig regt van Eigendom." Over de schrijvers wordt geen woord gezegd.
De wet erkende naast het recht van eigendom ook een recht van praeferentie, toekomende aan den uitgever, die van een buitenlandsch werk eene vertaling in het licht geeft. Dit recht verwierf de uitgever zich dus geheel buiten den auteur om. In de "Consideransen" wordt het aldus gemotiveerd: "het valt toch niet te ontkennen, dat zoodanig een" (nl. de uitgever der vertaling) "moet gehouden worden, de daartoe benoodigde moeite of Copia geld en voorschotten te hebben besteed en
uitgelegd, en alzoo zich een regt verworven, om door het debiet van zijn werk, zich zelven schadeloos te stellen, en zoo mogelijk winst te doen... etc." Doch ten opzichte van nadrukken van buitenlandsche werken werd het recht van praeferentie door het Staatsbewind bestreden. Niet omdat men er eene onbillijkheid in zag tegenover den buitenlandschen schrijver of uitgever, doch uitsluitend omdat de eene ingezetene erdoor op
onrechtvaardige wijze boven de overigen wordt voorgetrokken. De bepaling van art. 5 der Hollandsche publicatie werd dus niet overgenomen; overigens was de wet van 1803 daaraan vrijwel gelijk. De wet van 1803 is slechts enkele jaren van kracht gebleven; na de inlijving van ons land bij het Fransche keizerrijk werd, ook op het gebied van het auteursrecht, de Hollandsche wetgeving spoedig door de Fransche vervangen. De voornaamste bepalingen waren te vinden
in de Décret-Loi des 19-24 Juillet 1793. Deze wet, die nu nog, hoewel op enkele punten gewijzigd en door andere wetten aangevuld, in Frankrijk van kracht is, verleende het kopierecht aan de auteurs van alle mogelijke geschriften en daarenboven aan: "compositeurs de musique" en aan: "peintres et dessinateurs qui feront graver des tableaux ou dessins" (art. 1). Na hun dood bleef het auteursrecht nog tien jaar voor hunne erfgenamen bestaan (art. 2).
Deze bepaling werd door een, eveneens hier te lande executoir verklaard Keizerlijk Decreet van 1810 in dier voege aangevuld, dat de weduwe van den auteur gedurende haar leven, en zijne kinderen tot twintig
jaar na den dood huns vaders van de bescherming zouden genieten. De twee hoofdbeginselen, die hier onder het Fransche bestuur voor het eerst werden ingevoerd, n.l. het toekennen van een 1o. in tijdsduur
beperkt auteursrecht, en dat 2o. direct aan de auteurs, vindt men na dien tijd in de wetgevingen van bijna alle landen terug. De Fransche wetten op de boekdrukkerij en den boekhandel werden hier
afgeschaft door het Souverein Besluit van den 24 Januari 1814 No. 1 (Staatsblad No. 17), houdende bepalingen omtrent den boekhandel en den eigendom van letterkundige werken. Dit besluit vond vooral toejuiching, omdat het de drukkende Fransche censuur afschafte; uit het oogpunt van auteursrecht is het echter als een stap terug te beschouwen. Evenals de wet van 1803 gaf het
een eeuwigdurend recht, niet aan den auteur, maar aan "... elk die een oorspronkelijk werk, hetzij in één, hetzij bij deelen of stukken uitgeeft, waarvan hij het regt van copie, als opsteller of anderszins,
wettig bezit" (art. 6). Ook werd in het besluit strafbaar gesteld: "eenigerlei nadruk van de Nederduitsche vertaling eens buiten deze landen uitgekomen werks, of het debiteren eener andere Nederduitsche vertaling van hetzelfde werk, binnen de drie eerste jaren na de uitgave
der eerste vertaling" (art. 9), eene bepaling, die ook voorkwam in de wet van 1803 en die toen op de eigenaardige wijze, die boven is medegedeeld, werd gemotiveerd.
Een besluit van 24 Januari 1815 (Staatsblad No. 6) gaf nog eenige aanvullende bepalingen over de formaliteiten, die de eerste uitgever eener vertaling tot vestiging van zijn recht van praeferentie had
te vervullen. Intusschen was in België--vreemd genoeg--bij Besluit van 28 September 1814 (Journal Officiel No. 54) het auteursrecht op geheel andere wijze, n.l. volgens de bovengenoemde Fransche beginselen, geregeld; vandaar dat men spoedig naar eene nieuwe, voor beide deelen van het koninkrijk gelijke regeling verlangend begon uit te zien.
Reeds in 1816 werd een ontwerp van wet aan den Raad van State aangeboden, waarvoor de vroegere Nederlandsche regelingen, zelfs de resolutie van de Staten van Holland van 1715, tot richtsnoer schijnen
te hebben gediend [121]. Dit ontwerp werd, na door den Raad van State geheel te zijn omgewerkt volgens de nieuwere opvattingen, bij de Staten-Generaal ingediend, waar het, zonder aanleiding te geven tot gedachtenwisseling,
onveranderd werd aangenomen, om vervolgens te worden afgekondigd onder den naam van: Wet van den 25 Januari 1817 (Staatsblad No. 5), de regten bepalende, die in de Nederlanden, ten opzigte van het drukken en uitgeven van letter- en kunstwerken, kunnen worden uitgeoefend.
Het recht om letter- en kunstwerken uitsluitend door den druk gemeen te maken en te verkoopen werd verleend aan "diegenen, welke daarvan autheurs zijn, en hunne regtverkrijgenden" (art. 1). Vertalers van in het buitenland uitgekomen letterwerken kregen hetzelfde recht op hunne vertaling (art. 2); het recht van praeferentie
echter, waardoor de eerste vertaler ieder ander kon verhinderen, eene andere vertaling in het licht te geven, komt in de wet niet voor [122]. Het auteursrecht duurde twintig jaar na den dood van den auteur of vertaler (art. 3). Als voorwaarde van de bescherming werd gesteld, dat het werk op eene Nederlandsche drukkerij moest zijn gedrukt, dat het een Nederlandschen
uitgever moest hebben, en dat drie exemplaren vóór of gelijktijdig met de uitgave moesten worden ingeleverd aan het gemeentebestuur van de woonplaats des uitgevers (art. 6). Vergeleken met het Besluit van 1814 vertoonde deze wet aanmerkelijken
vooruitgang: het recht werd direct verleend aan de auteurs; met het eeuwigdurend kopierecht, consequentie van de letterkundige eigendomstheorie, was gebroken; naast boeken waren ook "kunstwerken"
beschermd en op het punt van vertalingen waren gezondere beginselen gevolgd. Doch op zeer vele punten was de nieuwe regeling, die tot het jaar 1881 van kracht is gebleven, nog gebrekkig en onvolledig. De uitdrukking "letter- en kunstwerken", waarmede de beschermde producten werden aangewezen, was vaag en gaf in enkele gevallen
aanleiding tot twijfel [123]. Werken van plastische beeldende kunst vielen buiten de "kunstwerken", daar de wet alleen betrekking had op het drukken en uitgeven. De vraag of onder de "letterwerken"
ook mondelinge voordrachten begrepen waren, werd door de meesten ontkennend beantwoord [124]. Een groote leemte vormde het geheel ontbreken van op- en uitvoeringsrecht voor tooneel- en muziekwerken; in dit opzicht waren wij dus--in tegenstelling met de meeste andere landen--nog even ver
als in den tijd der privilegiën. Voorts valt op de wet van 1817 aan te merken, dat de handhaving van het recht ondoeltreffend was geregeld. Art. 4 bepaalde, dat elke inbreuk op het kopierecht (dus ook bv. het verkoopen en verspreiden van nagedrukte exemplaren) als nadruk werd aangemerkt en als zoodanig strafbaar was. De straffen waren, behalve boete van 10-1000 gld., confiscatie van alle nagedrukte exemplaren ten voordeele van den
eigenaar van den oorspronkelijken druk en het betalen aan dezen laatste van eene schadevergoeding, bedragende de waarde van 2000 exemplaren van het nagedrukte boek of kunstwerk. Dit bedrag overtrof natuurlijk in de meeste gevallen verre dat der werkelijk geleden schade, zoodat de oorspronkelijke uitgever op deze wijze niet alleen werd schadeloos
gesteld, maar nog een aanzienlijke winst kon maken. Aan den anderen kant was hij, op wiens recht inbreuk werd gemaakt, weer te beperkt in zijne rechtsmiddelen; de bedoelde schadevergoeding kon alleen verkregen worden, wanneer tegen den nadrukker eene strafvervolging was ingesteld en zoolang deze niet tot een veroordeelend vonnis had geleid,
bestond er voor den rechthebbende op het kopierecht geen middel, om het verspreiden, verkoopen en invoeren van nagedrukte exemplaren tegen te gaan. De regeling van art. 4 was bovendien op vele punten onvolledig; er stond bij voorbeeld niet in, hoe de schadevergoeding berekend moest worden, wanneer het een nog niet uitgegeven werk gold of een werk, waarvan verschillende uitgaven bestonden. Wat de boete betreft, deze moest strekken "ten behoeve van de algemeene armen van de woonplaats des nadrukkers"; eene bepaling waarvan de ratio
moeilijk is te vatten en die daarenboven niet voorzag in het geval, dat de nadrukker een vreemdeling was.
In de wet kwamen geene bepalingen voor voor pseudonieme, anonieme en posthume werken, evenmin voor werken, die door de samenwerking van meerdere auteurs zijn ontstaan, hetgeen toch, met het oog op de berekening van den duur van het recht volgens art. 3 (20 jaar
na den dood des auteurs) gewenscht ware geweest. De toepassing van laatstgenoemd artikel gaf ook moeielijkheid bij werken, waarvan geen natuurlijk persoon auteur is, maar die vanwege een of ander genootschap of den Staat zijn uitgegeven. Eene afzonderlijke regeling van het Staats-kopierecht gaf het Koninklijk Besluit van 2 Juli 1822 (Staatsblad No. 16), waarbij het drukken en verspreiden van staatsstukken werd vrijgelaten, behalve
van diegenen, waarop door den Koning het recht van uitgave ten behoeve van de landsdrukkerij werd voorbehouden of "bij speciale vergunningen of octroijen" aan particulieren werd afgestaan. Dit K. B. is terecht een voorwerp van scherpe kritiek geweest. Onafhankelijk van de wet, die deze materie regelde, werd hier een kopierecht van den Staat gecreëerd en zelfs aan den Koning de bevoegdheid voorbehouden speciale vergunningen, in aard vrijwel met
de vroegere privilegiën overeenkomende, aan particulieren te verleenen. Toen eindelijk de Hooge Raad in een arrest van 8 September 1840 [125] had uitgemaakt, dat de beschikkingen van het genoemde K. B. van geen
kracht waren, daar de wet van 1817 een kopierecht van den Staat niet kent, werd bij K. B. van 24 April 1841 (Staatsblad No. 11) het besluit van 1822 en de daarop berustende besluiten, waarbij het uitgeven van bepaalde staatsstukken aan de landsdrukkerij werd voorbehouden of aan particulieren verleend, ingetrokken [126].
Later kwam de kwestie van het Staats-kopierecht nog ter sprake bij de behandeling van de Wet van 12 Aug. 1849 (Staatsblad No. 36) op de invoering van de Pharmacopoea Neerlandica en Nederlandsche
Apotheek, waarbij het uitsluitend recht van drukken en uitgeven van dit stuk aan den Staat werd voorbehouden. Zoowel in de schriftelijke gedachtenwisseling over deze wet als bij de openbare beraadslagingen
vonden de genoemde bepalingen bij vele leden der Staten-Generaal verzet [127]; toch bleef zij in de wet gehandhaafd. De wet zelf werd in 1871 ingetrokken. De genoemde leemten en gebreken van de wet van 1817, waarbij nog
gevoegd kan worden het ontbreken van voldoende overgangsbepalingen (waardoor o.a. twijfel bleef bestaan ten opzichte van het al of niet voortbestaan van het eeuwigdurend kopierecht, dat volgens de vroegere
Nederlandsche wetten was verkregen) [128], deden zich al spoedig in de practijk gevoelen en waren oorzaak, dat door belanghebbenden herhaaldelijk pogingen in het werk werden gesteld om tot eene betere
regeling te komen. In 1828 werd reeds door eenige boekhandelaren een ontwerp ter vervanging van de wet van 1817 opgesteld en met eene memorie van toelichting aan de Regeering aangeboden [129]. Twee jaar later had de
Regeering een ontwerp gereed, dat echter nooit bij de Staten-Generaal is ingediend. In latere jaren is, vooral door de Vereeniging tot bevordering van de belangen des boekhandels gedurig moeite gedaan, om een betere wet te krijgen [130].
In het jaar 1860 werd door bovengenoemde vereeniging een ontwerp voor eene nieuwe wettelijke regeling met eene memorie van toelichting aan den minister van binnenlandsche zaken aangeboden [131]. Nadat over dit ontwerp bij de koninklijke Academie voor beeldende kunsten en bij de koninklijke Academie van Wetenschappen adviezen waren
ingewonnen, verscheen eindelijk in 1877 een Regeerings-ontwerp. Voor de voorbereiding hiervan was, zooals ook in de M. v. T. [132] wordt erkend, behalve van de belangrijkste buitenlandsche wetgevingen, een ruim gebruik gemaakt van het Ontw. Boekh. Er was o.a. uit overgenomen
de nauwkeuriger omschrijving der auteursproducten in plaats van de vage term "letter- en kunstwerken" van de wet van 1817; voorts de bepaling, dat het auteursrecht eene roerende zaak is (art. 9); dat met auteurs worden gelijkgesteld ondernemers van werken, die uit bijdragen van meerdere auteurs bestaan (art. 3 Ontw. Boekh., art. 2 a Ontw. '77); en de bepaling, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden
op wederrechtelijk gemeen gemaakte werken beslag kunnen leggen (artt. 14-17 Ontw. Boekh., artt. 20-22 Ontw. '77). Op vele andere punten was het Ontw. Boekh. echter niet gevolgd. Nieuw was b.v.: het erkennen van een recht van op- en uitvoering voor muziek- en tooneelwerken (als gevolg hiervan werd niet meer van kopierecht maar van auteursrecht gesproken) en het toekennen van auteursrecht voor mondelinge voordrachten (art. 1); de beperking van het uitsluitend
recht om vertalingen van een werk uit te geven tot slechts 5 jaar na de oorspronkelijke uitgave en dan nog onder voorwaarde, dat het recht uitdrukkelijk wordt voorbehouden en de vertaling binnen drie jaar verschijnt; (art. 5b en 15 2o); de berekening van den duur van het auteursrecht niet meer naar het tijdstip van overlijden des auteurs, maar naar dat van de eerste uitgave van het werk (art. 12); de bepaling dat de wet ook voor Nederlandsch Indië verbindend zou zijn (art. 28). Het onderzoek in de afdeelingen der Tweede Kamer had in 1878 plaats,
nadat het ontwerp door het inmiddels nieuw-opgetreden Ministerie van zijn voorganger was overgenomen. In het Voorloopig Verslag van 23 Mei 1878 [133] werd het over het algemeen gunstig beoordeeld. De voornaamste bedenkingen golden: het op- en uitvoeringsrecht, dat "velen leden" naast het kopie-recht overbodig voorkwam, terwijl "zeer vele leden" dit liever in eene afzonderlijke wet wilden geregeld zien; het auteursrecht op mondelinge voordrachten, dat sommige leden niet toegekend wilden zien, andere niet dan onder
zekere voorwaarden; de termijnen voor den duur van het recht, die door de groote meerderheid te lang werden gevonden en die men ook niet voor alle gevallen voldoende geregeld vond. Ook tegen de voorgestelde wijze van handhaving van het auteursrecht werden bezwaren ingebracht:
de meerderheid der leden wilden de strafrechtelijke vervolging der overtredingen afhankelijk zien gesteld van de klacht der belanghebbende partij; enkelen wilden de straf-actie geheel zien verdwijnen.
Voordat dit verslag door de Regeering was beantwoord, had er wederom eene kabinetsverwisseling plaats gehad. Mr. Modderman, die als minister van justitie was opgetreden, nam nu het ontwerp ter hand, dat, op enkele punten gewijzigd, met de memorie van antwoord den 22sten September 1880 aan de Tweede Kamer werd toegezonden [134].
Het recht van bestaan van uit- en opvoeringsrecht naast het kopierecht, alsmede van het auteursrecht op mondelinge voordrachten, werd hierin door de Regeering nogmaals aangetoond. Verder werd o. a. de systematische indeeling en volgorde tegen de daarover gemaakte opmerkingen verdedigd. Ten opzichte van de handhaving van
het recht werd de noodzakelijkheid van strafrechtelijke bescherming betoogd en tevens de meening weersproken, dat strafbare inbreuk op het auteursrecht een klachtdelict behoorde te zijn.
Op enkele punten was aan de bezwaren tegen het eerste ontwerp ingebracht nu tegemoet gekomen; zoo wat betreft de wijze, waarop anonieme en pseudonieme auteurs zich bekend moeten maken (art. 2);
de bepalingen op den inhoud van dagbladen en tijdschriften (art. 7); uitsluiting van beslag op auteursrecht (art. 9) en de voor de uitoefening van het recht voorgeschreven formaliteiten (art. 10). Den 1sten Juni kwam het wetsontwerp in de Tweede Kamer in openbare behandeling [135]. De algemeene beraadslagingen liepen
voornamelijk over den theoretischen grondslag en het karakter van het auteursrecht. Uit hetgeen minister Modderman hierover naar aanleiding van de opmerkingen van de heeren Schaepman en Oldenhuis Gratama in het midden bracht, bleek, dat de Regeering den "intellectueelen eigendom" verwierp, maar niettemin een recht der auteurs op bescherming erkende en daarmede den plicht des wetgevers,
om het door wettelijke voorschriften te doen eerbiedigen. De minister noemde het auteursrecht een jus sui generis, noch tot de zakelijke, noch tot de persoonlijke rechten behoorende, maar dat gerangschikt moest worden onder de absolute vermogensrechten. Bij de artikelsgewijze behandeling, die den volgenden dag plaats had [136], werd o. a. de duur van het auteursrecht besproken. Een amendement van den heer Oldenhuis Gratama, die den hoofdtermijn van vijftig op dertig jaar na de eerste uitgave wilde brengen, werd
verworpen. Eveneens mislukte eene poging van den heer van der Kaay, om art. 15, waarin de duur van het opvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte tooneelwerken tot tien jaar wordt beperkt, te doen verwerpen, waardoor ook voor dit bestanddeel van het auteursrecht de gewone, langere, termijn zou hebben gegolden.
De eenige wijziging, die het ontwerp onderging, betrof de strafbare inbreuk op het auteursrecht, die door een amendement van de heeren de Beaufort en van der Kaay tot een klachtdelict werd gemaakt. Het wetsontwerp werd ten slotte met op één na algemeene stemmen
aangenomen. Na behandeling in de Eerste Kamer werd het den 28sten Juni afgekondigd als: Wet van den 28sten Juni 1881 tot regeling van het Auteursrecht (Staatsblad No. 124). Deze wet, den 1sten Januari 1882 in werking getreden, is nu nog ongewijzigd van kracht; alleen de artt. 18-20, die de strafbepalingen inhielden, werden door de Invoeringswet van het Wetboek van Strafrecht
naar laatstgenoemd wetboek overgebracht, waarvan zij de artt. 349 bis, ter en quater zijn geworden. Zoowel in de M. v. T. als in de M. v. A. was door de Regeering
verklaard, dat zij de werken van beeldende kunst niet onder de beschermde producten had opgenomen, omdat het wenschelijk scheen daarvoor eene afzonderlijke regeling vast te stellen. Bij Koninklijke Boodschap van 12 Febr. 1884 werd dienovereenkomstig een ontwerp van wet bij de Tweede Kamer ingediend [137]. In de memorie van toelichting werd de noodzakelijkheid van bescherming der kunstenaars bepleit,
o. a. met verwijzing naar verschillende buitenlandsche wetgevingen en met een beroep op de beginselen, die bij de wet van 28 Juni 1881 gehuldigd waren. Het ontwerp strekte de bescherming uit tot alle "werken der beeldende
kunsten"; hieronder moesten volgens de M. v. T. hoofdzakelijk begrepen worden werken der schilder-, teeken- en beeldhouwkunst. Werken der bouwkunst waren uitdrukkelijk van de bescherming uitgesloten (art. 1). De vervaardiger werd beschermd, zoowel tegen nabootsing door dezelfde of eene andere kunst als tegen namaak langs mechanischen weg. In art. 4 werd een bijzonder recht van korteren duur verleend aan hem
"die een werk van beeldende kunst, door een ander vervaardigd, op wettige wijze, maar door eene andere beeldende kunst of door eene mechanische bewerking namaakt".
Met de wet van 1881 vertoonde het ontwerp vele punten van overeenkomst; dezelfde indeeling in paragrafen was gevolgd en in de regeling van verschillende belangrijke onderdeelen zooals: de duur, de middelen van handhaving, verzamelwerken, karakter en eigenschappen van het recht
(art. 5), slotbepalingen, bevatte het gelijke of analoge bepalingen. Daar het in de zitting 1883-1884 niet in behandeling was gekomen, werd het den 30sten November 1884 wederom, geheel onveranderd, ingediend. Het voorloopig verslag, uitgebracht 25 Maart 1885 [138], luidde niet gunstig. Er werd beweerd, dat de kunstenaars de geboden bescherming
niet verlangden en men bestreed de meening, dat deze bescherming op dezelfde gronden zou rusten als die der schrijvers. Ook werd de vrees geuit, dat door aanneming van dit wetsontwerp een stap zou worden gedaan in de richting van wederinvoering der octrooien van uitvinding.
Naar aanleiding van enkele opmerkingen in dit verslag voorkomende werd het ontwerp door de Regeering op sommige ondergeschikte punten gewijzigd (de woorden: der beeldende kunsten werden o. a. overal vervangen door: van beeldende kunst) en opnieuw met eene memorie van toelichting ingediend [139]. Onder meer werd hierin als grondbeginsel
van de voorgestelde bescherming aangevoerd, dat de voortbrenger van een product des geestes het uitsluitend recht dient te hebben te bepalen of, wanneer en in welken vorm zijn voortbrengsel, dat aan het gevaar van nadruk of nabootsing blootstaat, openbaar zal worden gemaakt. Tot eene openbare beraadslaging van het Ontwerp is het nooit gekomen, hoewel de Commissie van rapporteurs het door de gewisselde
stukken daartoe genoegzaam voorbereid oordeelde en het daarna nog tweemaal (27 Juli 1886 en 7 October 1887) bij de Tweede Kamer werd ingediend. En hoewel in latere jaren de wensch naar eene regeling
van het artistieke auteursrecht, zoowel in als buiten het Parlement, meermalen is geuit [140], zijn de kunstenaars in ons land tot nu toe nog steeds onbeschermd gebleven.
Bij eene beschouwing van den hedendaagschen stand onzer wetgeving in de materie, die ons hier bezighoudt, is het dan ook deze groote leemte, die het eerst opvalt: het geheel ontbreken van bepalingen over wat in alle andere beschaafde landen als een belangrijk onderdeel van het auteursrecht wordt beschouwd. Doch, ook afgezien hiervan, is de wet
van 1881 verre van volmaakt en niet op de hoogte van den tijd; hetgeen niet behoeft te verwonderen als men bedenkt, dat zij nu reeds acht en twintig jaar onveranderd voortbestaat, terwijl het auteursrecht nog in een stadium van voortdurende en snelle ontwikkeling verkeert. Waarin deze ontwikkeling bestaat en tot welke wijzigingen in onze wetgeving
zij aanleiding kan geven, zal in de volgende hoofdstukken worden nagegaan en behoeft hier dus niet te worden besproken.
§ 3 Geschiedkundige ontwikkeling van het internationaal auteursrecht In de eerste paragraaf is al gelegenheid geweest op te merken, dat reeds in den tijd der privilegiën de bescherming tegen nadruk--al was het dan bij uitzondering--zich over meerdere landen kon uitstrekken en dat zelfs in het midden der achttiende eeuw eene poging is gedaan, hierover in een tusschen verschillende staten gesloten tractaat bepalingen te doen opnemen. Doch deze feiten kunnen hoogstens gelden
als voorboden van de internationale regeling, die zich in latere jaren heeft ontwikkeld, en waarvan de eigenlijke geschiedenis eerst in de negentiende eeuw aanvangt. In de meeste beschaafde landen hadden de privilegiën toen plaats gemaakt voor wetten, die schrijvers en kunstenaars bescherming verleenden niet meer als uitzondering en bij wijze van gunst, maar
als een voor allen gelijk geldend recht. Doch spoedig zag men in, dat deze bescherming slechts van weinig waarde was, zoo zij beperkt bleef tot de grenzen van elk land. De productie op het gebied van literatuur en kunst had onder veel gunstiger voorwaarden plaats dan vroeger; de verbetering van het onderwijs had den kring van lezers op elk gebied belangrijk uitgebreid en door verschillende uitvindingen was men in staat gesteld, het
drukken en verspreiden van geschriften sneller en goedkooper te doen geschieden. Gevolg hiervan was, dat in het algemeen het uitsluitend recht van kopie een veel aanzienlijker waarde vertegenwoordigde dan voorheen; met het uitgeven van sommige boeken waren schatten te verdienen. Voegt men hierbij de reusachtige toeneming van het internationale verkeer en de groeiende beteekenis van de pers, die ervoor zorgde, dat literaire voortbrengers en hunne producten in korten
tijd over de geheele beschaafde wereld bekend waren, dan heeft men al genoeg factoren bijeen, die de opkomende behoefte aan internationale auteursbescherming in de eerste helft der negentiende eeuw verklaren.
De internationale nadruk, vroeger slechts een sporadisch verschijnsel, werd nu stelselmatig en op groote schaal bedreven. Het feit, dat alleen in Brussel kort na elkander zich niet minder dan vijf groote huizen
vestigden met een gezamenlijk kapitaal van zes en een half millioen francs, die zich uitsluitend met het nadrukken van buitenlandsche boeken bezighielden, moge van den omvang van dit kwaad eenig denkbeeld geven [141]. Frankrijk, met zijn vruchtbare letterkundige productie en zijne alom bekende taal, en waar bovendien de prijs der boeken door uitgevers en boekhandel hoog werd gehouden, had hiervan het meest te lijden, zoodat het alleszins begrijpelijk is, dat vooral dáár de internationale
beweging tot bescherming der auteurs aanhangers vond en gaande werd gehouden. Om de bescherming van het auteursrecht internationaal te maken, stonden verschillende wegen open. Men kon vooreerst in de wetgeving van elk land zoodanige bepalingen
opnemen, dat ook auteurs van andere landen, al of niet onder voorwaarde van reciprociteit, van hare bescherming konden genieten. Dit middel werd door Frankrijk beproefd met het Decreet van 28 Maart 1852,
hetwelk nadruk in Frankrijk van in het buitenland uitgekomen werken strafbaar stelt. Doch de resultaten waren gering. Het voorbeeld vond in andere landen--althans te dien tijde--niet de gewenschte navolging, zoodat alleen niet-Fransche auteurs, wier werken in Frankrijk gevaar liepen te worden nagedrukt, erdoor gebaat waren. Bovendien was eene volkomen gelijkstelling van vreemde auteurs met de Fransche er niet door verkregen; het decreet werd doorgaans zoo geïnterpreteerd, dat er geen strafbare nadruk plaats had, wanneer de vreemde auteur
niet in zijn eigen land beschermd was, daar het niet de bedoeling was geweest, hem in Frankrijk rechten te verleenen, die hij thuis niet bezat. Voorts had de bepaling alleen betrekking op nadruk, niet op de schending van uit- en opvoeringsrecht [142].
Een tweede middel om het gewenschte doel te bereiken was de regeling van het internationaal auteursrecht bij verdrag. In deze richting slaagde men beter.
Reeds in 1827 waren de leden van den Duitschen Statenbond begonnen onder elkander tractaten te sluiten tot wederzijdsche erkenning van het auteursrecht en in 1840 werd het eerste tractaat van dien aard gesloten tusschen twee landen van verschillende taal: Oostenrijk en
Sardinië. Dit voorbeeld vond spoedig algemeene navolging. Frankrijk sloot o.a. verdragen met Engeland in 1852, met Spanje in 1853, met Nederland in 1855, met Denemarken in 1858, met Rusland in 1861, met Pruisen in 1862 en met Oostenrijk in 1866. Ook zijn uit dien eersten tijd te vermelden de tractaten tusschen België en Nederland (1858); tusschen Duitschland en Zwitserland en Duitschland en Italië (1869) en tusschen Rusland en België (1862). Gestadig nam hun aantal in de
volgende jaren toe, zoodat al spoedig niet alleen de meeste staten in Europa, maar ook enkele niet-Europeesche aan de internationale bescherming medewerkten. Als hoofdbeginsel van al deze tractaten gold, dat de auteurs van het
eene land in het andere land wettelijke bescherming genoten. Voor het meerendeel lieten zij de wetgevingen der contracteerende rijken ongerept en verklaarden de bepalingen daarvan alleen toepasselijk op internationale verhoudingen. Er bestond echter verschil ten opzichte der systemen, die hierbij gevolgd werden [143].
In de eerste plaats kon men de wet toepasselijk verklaren van het land, waar het werk voor het eerst was uitgegeven; ten tweede die van het land, waartoe de auteur behoort, terwijl volgens een derde stelsel de
wet toepasselijk was van het land, waar inbreuk op het auteursrecht werd gemaakt, óf--wat practisch op hetzelfde neerkomt--waar het proces daarover plaats had (dus: de lex fori). Deze stelsels werden om beurten, dan eens meer, dan eens minder streng doorgevoerd, soms in combinatie met elkander, in de verschillende tractaten toegepast. Dit
moest natuurlijk in de practijk tot moeilijkheden aanleiding geven. In sommige gevallen, moest de rechter het--dikwijls ingewikkelde--vreemde recht toepassen; in andere gevallen, als gevolg van den regel, dat de auteur in andere landen niet meer
rechten kon doen gelden, dan hij in zijn vaderland genoot, eene moeizame vergelijking maken tusschen het vreemde recht en dat van zijn eigen land, om de voor den auteur minst gunstige bepalingen te kunnen toepassen. Voor schrijvers en uitgevers was het dikwijls zeer moeilijk te weten te komen, in welke mate hunne werken in de verschillende landen
waren beschermd, temeer daar voor op- en uitvoeringsrecht en voor het uitsluitend recht van vertaling meestal óf in de wetgevingen óf in de daarvan afwijkende tractaten afzonderlijke bepalingen golden. Bovendien hadden zij soms nog, om in andere landen de internationale bescherming te kunnen inroepen, allerlei formaliteiten te vervullen, naast degenen
die hun eigen wet voorschreef. Deze en andere bezwaren waren oorzaak, dat in kringen van belanghebbenden de behoefte begon te worden gevoeld naar meer
eenvormigheid van regelen. Wenschen in dezen zin werden uitgesproken, o. a. reeds op een internationaal letterkundig congres te Brussel in 1858 en op congressen van kunstenaars te Antwerpen in 1861 en 1877; ook werden pogingen in dezelfde richting gedaan door de Börsenverein
der deutschen Buchhändler te Leipzig en werd het vraagstuk besproken op het in 1876 te Bremen gehouden congres van de Association for the codification and reform of the law of nations. Toen in 1878 te Parijs tijdens de wereldtentoonstelling vele schrijvers en kunstenaars uit de geheele wereld bijeen waren, werd daar opgericht de Association littéraire internationale, voornamelijk met het doel, de beginselen
der auteursbescherming in alle landen te doen doordringen en te verdedigen en aan verbetering van de internationale regeling mede te werken. Deze vereeniging, later herdoopt in Association littéraire et artistique internationale, heeft tot verwezenlijking van de door velen gewenschte unificatie krachtig medegewerkt. Op haar congres te Rome in 1882 werd besloten, dat op eene door haar te beleggen conferentie
een plan zou worden uitgewerkt tot stichting van eene internationale Unie tot bescherming van het auteursrecht. Deze conferentie had plaats te Bern van 10 tot 13 September 1883, onder voorzitterschap van het door den Zwitserschen Bondsraad afgevaardigde lid Numa Droz. Een ontwerp van tien artikelen kwam tot stand, dat aan den Zwitserschen
Bondsraad werd aangeboden, om tot basis te dienen voor een door dit Lichaam uit te werken conceptverdrag, dat aan het oordeel van eene diplomatieke conferentie zou worden onderworpen. De eerste van deze conferentiën had plaats in September 1884 te Bern onder voorzitterschap van Numa Droz. Aan de uitnoodiging der Zwitsersche Regeering om zich hier te doen vertegenwoordigen, was door twaalf staten gevolg gegeven; enkele andere staten hadden,
zonder afgevaardigden te sturen, hunne instemming met het beoogde doel betuigd. Nadat het plan, om eene internationale codificatie te ontwerpen, die de geheele materie, onafhankelijk van de bestaande wetgevingen op uniforme wijze zou regelen, als voorloopig onuitvoerbaar was ter zijde gesteld [144], hield de Conferentie zich bezig met het uitwerken van een ontwerp-verdrag, dat evenals dat van de Association en dat van den Zwitserschen Bondsraad, hoofdzakelijk op de bepalingen der verschillende wetgevingen steunde en slechts op enkele punten eene
zelfstandige regeling inhield. Behalve dit ontwerp, dat volgens het oordeel der Conferentie het minimum van rechten inhield, die de toetredende landen wederzijds aan de auteurs van werken van kunst en letterkunde zouden kunnen verleenen [145], gaf de Conferentie nog als resultaat van haar onderzoek een tweetal beginselen aan, die zij niet in het ontwerp had opgenomen, doch die zij met het oog op eene vroeg of laat in te voeren algemeene codificatie van het auteursrecht, in den vorm van "wenschen" onder de aandacht van alle landsregeeringen
wilde brengen, nl.: 1o. De aan auteurs van kunst- en letterwerken te verleenen bescherming moest duren gedurende hun leven en minstens dertig jaar na hun dood.
2o. Er moet gestreefd worden naar eene volkomen gelijkstelling van het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk [146]. De resultaten dezer eerste diplomatieke Conferentie werden door de zorgen der Zwitsersche Bondsregeering aan de regeeringen van de verschillende landen bekend gemaakt, terwijl hun tevens werd verzocht, aan hunne afgevaardigden op eene tweede te houden samenkomst hierover definitieve instructies mede te geven.
Deze tweede Conferentie had wederom onder leiding van Numa Droz te Bern plaats (7-18 September 1885). Ditmaal waren zestien landen vertegenwoordigd. Na veel beraadslaging en niet dan nadat over en weer vele concessies waren gedaan, kwam een definitieve tekst voor het te sluiten verdrag tot stand. Dit ontwerp werd ten slotte op de derde diplomatieke Conferentie te Bern (6-9 September 1886) ongewijzigd (behoudens de invoeging van enkele woorden in art. 7 eerste lid ter verduidelijking) aangenomen
en door de vertegenwoordigers van tien staten onderteekend, nl. van: België, Duitschland, Engeland, Frankrijk, Haïti, Italië, Liberia, Spanje, Tunis en Zwitserland. Den 7den September 1887 volgde de ratificatie (behalve die van Liberia, dat eerst veel later lid van het Verbond is geworden) en 5 December van hetzelfde jaar trad de Conventie in werking.
De Convention concernant la création d'une Union internationale pour la protection des oeuvres littéraires et artistiques, hier te lande algemeen bekend onder den naam Berner Conventie, is verdeeld in achttien artikelen, waaraan zijn toegevoegd een additionneel artikel, regelende de verhouding der Conventie tot de bestaande verdragen,
en een Slotprotocol (nos. 1-7), waarin de bepalingen van sommige artikelen nader worden verklaard of uitgewerkt. Zooals reeds gezegd, geeft de Conventie geen algemeene codificatie van het auteursrecht, doch laat zij de internationale bescherming in de meeste gevallen afhangen van de wetgevingen der aangesloten landen. Van de enkele punten, die de Conventie zelf regelt, onafhankelijk
van de landswetten, is verreweg het belangrijkst het uitsluitend vertalingsrecht. In art. 5 wordt dit aan alle tot een van de toegetreden landen behoorende auteurs verleend voor den tijd van tien jaar na de uitgave van het oorspronkelijke werk. Voor deze bepaling
had men groote moeite gehad tot overeenstemming te komen, daar van ééne zijde (vooral door Frankrijk) op volkomen gelijkstelling werd aangedrongen van het vertalingsrecht met het recht op het oorspronkelijke werk, terwijl van den anderen kant er gevaar was, dat een vertalingsrecht van zoo langen duur voor sommige staten een reden zou zijn, om niet tot het Verbond toe te treden [147]. Met den gekozen termijn van 10 jaar hoopte men aan de wenschen van beide
partijen zooveel mogelijk te hebben voldaan; aan staten die een langer vertalingsrecht wenschten, stond het vrij dit onderling bij afzonderlijk tractaat vast te stellen.
De zetel van het internationaal Verbond werd gevestigd te Bern. In art. 16 der Conventie werd voorgeschreven, dat aldaar zou worden opgericht een Bureau, dat onder de hoede der Zwitsersche Regeering zou staan, en waarvan inrichting en werkkring nader in het Slotprotocol (no. 5) werden geregeld.
Reeds dadelijk zag men in, dat de Conventie geen definitieve regeling bracht: in den loop der jaren waren verbeteringen in de verschillende wetgevingen te verwachten, waardoor men in staat zou zijn de grenzen der bescherming verder uit te strekken; het was bovendien te voorzien,
dat deze eerste algemeene regeling gebreken en leemten bevatte, die duidelijker aan het licht zouden komen, wanneer zij eenigen tijd in werking zou zijn geweest. Er waren dus in de toekomst
herzieningen te verwachten en men achtte het wenschelijk, hierover in de Conventie enkele bepalingen op te nemen. Art. 17 bepaalde, dat deze herzieningen zouden worden besproken op Conferentiën, achtereenvolgens in de verschillende aangesloten landen te houden, terwijl het Slotprotocol (no. 6) de bepaling inhield, dat de eerste Conferentie zou plaats hebben te Parijs, binnen vier tot zes jaar na
de inwerkingtreding der Conventie, dus op zijn laatst in December 1893. Doch de Fransche Regeering, aan wie het initiatief tot de bijeenroeping was overgelaten, zag zich door verschillende omstandigheden genoodzaakt, den datum der samenkomst te verschuiven, zoodat de Parijsche Conferentie eerst den 15den April 1896 bijeenkwam.
Behalve de reeds aangesloten staten (wier aantal nog met vier was vermeerderd, n. l. Luxemburg, Monaco, Montenegro [148] en Noorwegen) waren ook die nog geen deel uitmaakten van het Verbond, door de
Fransche Regeering uitgenoodigd zich te doen vertegenwoordigen, aan welke uitnoodiging er niet minder dan veertien gehoor hadden gegeven. Als leiddraad voor de werkzaamheden der Conferentie had de Fransche Regeering in samenwerking met het Bureau van Bern een programma van wijzigingen opgesteld, dat met eene stelselmatig gerangschikte opgave van de verschillende wenschen, die door vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars van allerlei landen in de laatste jaren op congressen en vergaderingen waren geuit, aan de Regeeringen der
verschillende landen was toegezonden [149]. Doch ondanks alle daarvoor gedane moeite is men er te Parijs niet in kunnen slagen, in het oorspronkelijke te Bern gesloten verdrag wijzigingen aan te brengen,
daar de hiervoor in art. 17 lid 3 voorgeschreven eenstemmigheid niet kon worden verkregen. Op het voorstel der Commissie [150] werden nu de resultaten der Conferentie in twee afzonderlijke acten neergelegd, die het elken staat vrij zou staan al of niet te aanvaarden, n.l.: Eene Additionneele Acte, die wijzigingen brengt in de artt. 2, 3, 5,
7, 12 en 20 der Conventie en in no. 1 en 4 van het Slotprotocol, en Eene "Verklaring" (Déclaration), die eene interpretatie geeft van enkele bepalingen der Berner Conventie en der Parijzer Additionneele Acte. Bovendien werden door de Conferentie in de vergadering van 1 Mei
1896 een vijftal wenschen uitgesproken, die echter niet in een der officieele stukken opgenomen zijn [151].
De Additionneele Acte werd door alle staten behalve Noorwegen, de Verklaring door alle behalve Engeland onderteekend. Van de later toegetreden staten hebben Japan en Denemarken naast de Berner Conventie de beide Parijsche stukken aanvaard; Zweden alleen de Verklaring,
niet de Additionneele Acte. De belangrijkste bepaling van de Additionneele Acte van Parijs, die ook de reden is, dat Zweden en Noorwegen er niet toe hebben willen toetreden, betreft het vertalingsrecht, dat in tijdsduur met het auteursrecht op het origineel wordt gelijk gesteld, onder voorwaarde
echter, dat de auteur binnen tien jaar na de eerste uitgave van zijn werk eene vertaling laat verschijnen (Add. Acte art. 1, III). Voor de landen, die de Acte hebben onderteekend, was hiermede dus een belangrijke uitbreiding der internationale bescherming tot stand gekomen, die door velen werd gewenscht. Overigens heeft
begrijpelijkerwijze het resultaat van de Conferentie van Parijs geen aanleiding gegeven tot algemeene tevredenheid. De eenheid der Unie was er door de nieuw-toegevoegde bepalingen niet op vooruitgegaan en de gedelegeerden te Parijs zijn de eersten geweest, om het nadeel
hiervan te erkennen; althans zij spraken de wenschelijkheid uit: "dat de beraadslagingen van de eerstvolgende Conferentie tot de aanneming van één enkelen tekst der Conventie zouden leiden" [152].
Als plaats voor deze Conferentie werd Berlijn aangewezen en als tijd van samenkomst minstens zes en hoogstens tien jaar na de Conferentie van Parijs [153]. Doch ook nu bleek men den termijn te kort gesteld
te hebben en in plaats van uiterlijk in 1906, kwam de Berlijnsche Conferentie eerst den 14den October 1908 bijeen.
Van de zeventien Verbondslanden (waarbij ook Liberia is gerekend, dat zich twee dagen na het samenkomen der Conferentie aansloot), waren er zestien vertegenwoordigd. Haïti had geen vertegenwoordiger
gestuurd, doch zich bij voorbaat vereenigd met alles, wat te Berlijn zou worden besloten [154]. Bovendien waren er vertegenwoordigers van negentien niet-aangesloten landen. De voorbereiding der beraadslagingen was ditmaal door de Duitsche Regeering in samenwerking met het Internationale Bureau geschied. Op
een veertiental punten werden wijzigingen voorgesteld [155] en een ontwerp voor één enkele tekst der Conventie werd geredigeerd, waarin deze wijzigingen waren opgenomen [156]. Bovendien was nog van de Fransche Regeering een voorstel ingekomen betreffende de reproductie door middel van photographie en kinematograaf en een voorstel van de Japansche Regeering, strekkende om de vertaling in en uit het Japansch volkomen vrij te laten [157]. Naast deze officieele herzieningsvoorstellen, die met de daarbij gevoegde
memoriën van toelichting als het ware de schriftelijke inleiding vormden voor de beraadslagingen te Berlijn, waren ook nu weer door verschillende vereenigingen en congressen wenschen uitgesproken en wijzigingsvoorstellen geformuleerd. De onvermoeide Association had op haar congres in Augustus 1907 te Neuchatel gehouden, een volledig herzieningsontwerp samengesteld, dat met eene memorie van toelichting
aan de Regeeringen van alle Verbondslanden was toegezonden [158]. Ook van de wenschen van andere genootschappen hadden de verschillende Regeeringen zich op de hoogte kunnen stellen, daar hiervan wederom, evenals in 1896, door de zorgen van het internationale Bureau te Bern eene verzameling was verschenen [159].
Dat het groote moeite zou kosten om te Berlijn, overeenkomstig den op de Conferentie van Parijs uitgesproken wensch, één enkelen tekst der Conventie aangenomen te krijgen, waarmede alle aangesloten staten zich zouden kunnen vereenigen, was gemakkelijk te voorspellen. En hoewel er hard voor is geijverd, heeft deze wensch ook niet volkomen in vervulling mogen gaan. Wel werd tenslotte een herzieningsontwerp aangenomen, dat bestemd is alle vroeger gemaakte bepalingen
(dus zoowel die van Bern als Parijs) te vervangen, doch voorgoed afgeschaft waren deze laatsten daarmede nog niet. Ten behoeve van sommige Verbondslanden, die zich niet met alle aangenomen hervormingen konden vereenigen, en vooral ook om den staten, die nog geen deel van het Verbond uitmaken, het toetreden niet te zeer te bemoeilijken,
werd nl. in de nieuwe Conventie de bepaling opgenomen, dat elke staat bij de bekrachtiging ervan zich zou kunnen voorbehouden, op bepaalde punten nog gebonden te blijven door de oude Conventieteksten. Men heeft
daarom niet geheel zonder recht, van hetgeen de Berlijnsche Conferentie tot stand heeft gebracht kunnen zeggen, dat het niet zoozeer is een bindend verdrag dan wel eene Model-Conventie [160], daar het immers iederen staat vrijstaat er alleen die bepalingen uit te kiezen, welke hem bevallen, terwijl hij voor het overige bij het oude kan blijven.
De hervormingen, welke de nieuwe Conventie heeft gebracht, zijn intusschen niet zonder belang. Het uitsluitend vertalingsrecht is volkomen met het auteursrecht gelijkgesteld; voor den duur van het auteursrecht in het geheele Verbond is één uniforme hoofdtermijn vastgesteld nl. vijftig jaar na den dood des auteurs; photographieën,
werken der bouwkunst, balletten en pantomimes zijn onder de beschermde producten opgenomen en op verschillende belangrijke onderdeelen, als bv. het journalistiek auteursrecht, het op- en uitvoeringsrecht van tooneel- en muziekwerken, de reproductie door middel van muziekinstrumenten en van den kinematograaf, zijn de grenzen der
auteursbescherming deels uitgebreid, deels scherper getrokken. Groote verbetering is ook gebracht in de stelselmatige volgorde der artikelen en in de redactie van sommige bepalingen, die in de vroegere stukken wel eens aan duidelijkheid en beknoptheid te wenschen overliet. Doch, zooals gezegd, de Berlijnsche Conferentie heeft de invoering
van al deze hervormingen slechts mogelijk gemaakt; of ze werkelijk ingevoerd zullen worden hangt af van het gebruik, dat de verschillende staten zullen maken van de hun gelaten vrijheid om sommige der nieuwe bepalingen niet te aanvaarden. Van de groote meerderheid der nu-aangesloten staten kan worden verwacht, dat zij de nieuwe Conventie in haar geheel en onvoorwaardelijk zullen bekrachtigen; het staat
echter vast dat allen hiertoe niet--tenminste niet binnen kort--zullen overgaan. Zoolang dit laatste niet het geval is, blijft natuurlijk de oude Berner Conventie met al hare aanhangsels (Additionneel Artikel en Slotprotocol benevens de Parijzer Additionneele Acte en "Verklaring") nog bestaan. Een voordeel van het te Berlijn ingevoerde systeem is, dat er in de komende jaren geleidelijk verbetering kan worden gebracht
in den toestand van het Verbond, zonder dat hiervoor telkens eene herzienings-Conferentie noodig is. Ten allen tijde kunnen de staten, die nog op sommige punten bij de oude bepalingen zullen zijn gebleven, hiervan afzien en tot de nieuwe Conventie in haar geheel toetreden en telkenmale wanneer dit geschiedt, zal men weer een stap verder zijn gekomen tot de zoozeer gewenschte eenheid in de Unie. Dit neemt natuurlijk niet weg, dat ook herzienings-Conferentiën in de toekomst
noodig blijven; men heeft daarom te Berlijn voor de eerstvolgende tijd en plaats weer vastgesteld: zij zal gehouden worden te Rome, op zijn vroegst in 1914, op zijn laatst in 1918. Voorloopig echter is de meeste verbetering te verwachten, niet van nieuwe wijzigingen in den tekst der Conventie, maar van hervormingen
der binnenlandsche wetgevingen. Zoolang deze onder elkander nog zooveel belangrijke punten van verschil blijven vertoonen, kan van versterking der eenheid in de Unie moeilijk sprake zijn. Ook hieraan heeft de Association haar aandacht gewijd en hare pogingen om in deze richting verbetering te brengen, komen mij belangrijk genoeg voor om hier te worden vermeld.
Nadat op haar in 1895 te Dresden gehouden Congres de beginselen waren besproken, die als basis zouden kunnen dienen om in de wetgevingen van de tot het Verbond behoorende landen eenheid te brengen, heeft eene Commissie uit haar midden zich daarna beziggehouden met het opstellen van een ontwerp model-wet (loi-type) met deze beginselen tot
grondslag. Dit ontwerp maakte op de volgende congressen herhaaldelijk het onderwerp van belangrijke besprekingen uit en werd in den loop der jaren ook op enkele punten gewijzigd. Op het Congres te Parijs in 1900 heeft de heer Georges Maillard, die een belangrijk aandeel in deze werkzaamheden heeft genomen, doel en strekking hiervan nog eens uiteengezet [161]. Hij heeft er toen op gewezen, dat het ontwerp niet moet beschouwd worden als eene model-wet in dien zin, dat het, theoretisch gesproken, eene ideaal-regeling zou geven. De samenstellers hebben slechts de bedoeling gehad, de voornaamste elementen tot een
geheel te vereenigen, waarover h. i. kans bestaat, dat de wetgevers der beschaafde staten het binnen afzienbaren tijd eens zullen kunnen worden. Het geeft dus niet die mate van bescherming, welke de Association in het algemeen wel zou wenschen (uit de besprekingen op
hare congressen van verschillende auteursrecht-kwestiën blijkt, dat de meerderheid harer leden op de meeste punten nog verder wil gaan); doch het minimum, dat zij binnenkort voor alle staten bereikbaar acht. Wat den vorm en het systeem van dit ontwerp betreft: het is niet de bedoeling der samenstellers geweest, dat de tekst woord voor woord in alle landen tot wet zou worden gemaakt. Slechts de beginselen
worden er in geregeld; waar men de beslissing van sommige punten liever niet aan den rechter overlaat (hierbij dacht men zeker vooral aan Duitschland), zullen de meeste bepalingen nog aanvulling behoeven. Het geheele ontwerp bestaat dan ook slechts uit zestien artikelen.
Al draagt dit ontwerp dus een volkomen officieus karakter, en al is de kans zeer gering, dat het eerlang door een of meer staten in zijn geheel wordt overgenomen, toch moet zijne beteekenis niet worden onderschat. Daar het het uitvloeisel is van jarenlange bestudeering door bij uitstek daartoe bevoegden en eenerzijds aan de wenschen van een groote groep schrijvers en kunstenaars (d. w. z. auteurs)
uit verschillende landen uitdrukking geeft, terwijl andererzijds slechts wat practisch bereikbaar scheen erin opgenomen is, bevat het voor de wetgevers een aantal wenken, die in elk geval bijzondere aandacht verdienen [162]. In den loop van dit proefschrift zal ik nog verschillende malen naar de bepalingen van dit ontwerp hebben te verwijzen; met het oog hierop heb ik ook gemeend den jongsten tekst
ervan, vastgesteld te Parijs in 1900, hierachter onder de bijlagen te moeten opnemen. De rol, die ons land in de internationale beweging tot bescherming van het auteursrecht heeft gespeeld, is tot nu toe hoogst bescheiden geweest. In de jaren, dat de Europeesche staten begonnen met het sluiten van tractaten op het auteursrecht, scheen Nederland niet achter te zullen blijven. Reeds in 1840 werd in een handels- en scheepvaarttractaat met
Frankrijk de bepaling opgenomen, dat de letterkundige eigendom over en weer zou worden gewaarborgd. Een afzonderlijk tractaat zou dit nader regelen. Dit tractaat kwam tot stand den 29sten Maart 1855 [163]. Vijf jaar later werd er door eene Additionneele Overeenkomst de bepaling aan toegevoegd, dat de uitgave in Nederland van bloemlezingen van
Fransche schrijvers, welke bestemd zijn voor het onderwijs, geoorloofd zou zijn. In 1884 is het, na korten tijd buiten werking te zijn geweest (krachtens de bepaling van art. 11 derde lid), weer in werking gesteld door eene tusschen Nederlanden Frankrijk uitgewisselde Verklaring [164]. Daarbij werd het tractaat ook toepasselijk verklaard in de wederzijdsche koloniën, terwijl de bescherming tevens werd uitgebreid
tot de muziekwerken. Met België werd 30 Augustus 1858 een tractaat gesloten [165], dat bijna gelijkluidend is aan dat van 1855 met Frankrijk. Een tractaat met Spanje werd gesloten 31 December 1862 [166]; dit werd echter reeds tegen 4 Februari 1880 opgezegd, waarna het, na eerst nog enkele malen, telkens voor zes tot acht maanden, te zijn verlengd, den 4den October 1882 voorgoed buiten werking is gesteld [167].
Met andere staten heeft Nederland geen verdragen gesloten, hoewel daartoe meer dan eens moeite is gedaan, vooral van den kant van Duitschland. Met laatstgenoemd land was zelfs in 1884 reeds een verdrag door onze Regeering gesloten, dat echter nooit is bekrachtigd, daar de Regeering inzag, dat het de goedkeuring der Tweede Kamer niet zou verwerven.
De erkenning van het internationaal auteursrecht in ons land beperkt zich dus tot de werken uit Frankrijk en België. Deze bescherming is nog binnen zeer enge grenzen gehouden. Beide tractaten verhinderen alleen den nadruk van wetenschappelijke of letterkundige werken (art. 1),
dat met Frankrijk, krachtens de Verklaring van 1884, ook dien van muziekwerken. Een uitsluitend vertalingsrecht wordt door deze tractaten in het geheel niet verleend. Het tractaat met België is in dit opzicht zeer duidelijk (art. 3 eerste lid); ten aanzien van het Fransche zou men nog in twijfel kunnen verkeeren. In art. 1 wordt bepaald, dat het auteursrecht ("het recht van eigendom of van kopij"), hetwelk de wet
van het ééne land waarborgt of in het vervolg zal waarborgen, op het grondgebied van het andere land kan worden uitgeoefend "gedurende denzelfden tijd en binnen dezelfde grenzen als in dat andere land het recht wordt uitgeoefend, 'twelk aan de schrijvers van de aldaar uitkomende werken van gelijken aard is toegekend". Deze rechten kunnen echter niet uitgebreider zijn dan die, welke de wetgeving van het land waartoe de schrijver of zijne rechtverkrijgenden behooren, toekent. Nu wordt in Frankrijk het uitsluitend vertalingsrecht weliswaar niet
uitdrukkelijk in de wet erkend, doch wél bestaat in dat land eene vaste jurisprudentie, volgens welke onder de réproduction, die in strijd is met het auteursrecht, ook moet verstaan worden reproductie in eene andere taal. [168] Feitelijk bestaat dus een uitsluitend
vertalingsrecht volgens het Fransche recht en wel een van even langen duur als het auteursrecht op het oorspronkelijke werk. Men zou dus hieruit kunnen afleiden, dat volgens ons tractaat met Frankrijk de in dat land uitgekomen werken ook in Nederland tegen vertalingen zijn beschermd, voorzoover tenminste ook volgens Nederlandsch recht een vertalingsrecht zou bestaan, dus niet langer dan vijf jaar na de
uitgave. Bij de beraadslagingen over het tractaat in ons parlement is echter door den minister van buitenlandsche zaken herhaaldelijk en met nadruk betoogd, dat het uitgeven van vertalingen van Fransche werken in ons land door het tractaat niet wordt verboden. Het, m. i. sterkste, argument, dat hiervoor werd aangevoerd, was dit, dat de Fransche Regeering, die eerst van de Nederlandsche de erkenning
van het uitsluitend vertalingsrecht trachtte te bedingen, later, toen hiertegen van onze zijde bedenkingen waren ingebracht, uitdrukkelijk verklaard heeft, dat zij van haar vroeger verlangen afzag. Als gevolg
hiervan werd in het tractaat eene uitdrukkelijke bepaling ten aanzien van het voorbehoud van het vertalingsrecht, die in tractaten, welke Frankrijk met andere landen had gesloten, wél voorkomt, niet opgenomen
[169]. Men mag het er dus voor houden, dat het tractaat het vertalen geheel vrijlaat en daarmede is tevens gezegd, dat de bescherming, welke het verleent, in de practijk weinig beteekent. Volledigheidshalve wil ik hier nog melding maken van eene Proclamatie
van 20 November 1899 van den President der Vereenigde Staten van Noord-Amerika, waarbij de wet van 3 Maart 1891 (nu vervangen door die van 4 Maart 1909) ook op Nederlanders wordt toepasselijk verklaard. Het zou mij te ver voeren de beteekenis hiervan volledig uiteen te zetten;
het zij voldoende hierbij aan te stippen, dat de Nederlandsche auteurs als gevolg hiervan voor hunne hier te lande verschenen werken onder bepaalde voorwaarden (o. a. die dat binnen een zekeren termijn eene nieuwe uitgave van het werk in de Vereenigde Staten verschijne) aldaar de bescherming der wet genieten. Daar echter Nederland geenerlei verplichting daartegenover heeft op zich genomen, worden
de onderdanen der Vereenigde Staten hier te lande, wat de erkenning van hun auteursrecht betreft, volkomen op dezelfde wijze behandeld als die van alle andere staten, waarmede geen tractaten zijn gesloten. Dezelfde oppositie, die zich hier te lande tegen het sluiten van doeltreffende bijzondere tractaten (zooals b. v. dat met Duitschland in
1884) deed hooren, en die voornamelijk is gericht tegen de erkenning van een uitsluitend vertalingsrecht voor in het buitenland uitgekomen werken, is ook oorzaak geweest, dat ons land zich tot nu toe niet bij de Berner Conventie heeft aangesloten. Op de eerste Conferentiën van Bern (van 1884 en 1885) was ons land wel vertegenwoordigd, n.l. door
den Consul-Generaal B. L. Verwey, die ook het in 1885 vastgestelde Ontwerp heeft onderteekend [170]. De bekrachtiging van Nederland is echter uitgebleven.
Op de Conferentie van Parijs heeft ons land, hoewel het daartoe was uitgenoodigd, geene vertegenwoordigers afgevaardigd.
Intusschen werd de strijd tusschen de voor- en tegenstanders van onze aansluiting bij het Internationale Verbond van de zijde der eerstgenoemden met steeds aangroeiende kracht en overtuiging gevoerd. In 1898 werd opgericht een Berner Conventie Bond, die naast
vele letterkundigen en kunstenaars ook verschillende invloedrijke vereenigingen onder zijne leden telt; eenige jaren later (in 1905) kwam de Vereeniging van Letterkundigen tot stand, welk lichaam zich
ook spoedig deed kennen als een ijverig strijder voor onze aansluiting [171]. In de Tweede Kamer was het vooral Professor van der Vlugt, die voor onze aansluiting ijverde; eene motie, welke door dezen afgevaardigde werd ingediend [172], waarin aan de Regeering werd
verzocht daartoe zoo spoedig mogelijk de noodige stappen te doen, is echter nooit in behandeling gekomen. De houding onzer tegenwoordige Regeering tegenover dit vraagstuk is niet meer twijfelachtig. Een jaar geleden gaf zij reeds blijk, van onze aansluiting tot het Verbond niet afkeerig te zijn, door afgevaardigden te zenden naar de Berlijnsche Conferentie. Ons land
is aldaar vertegenwoordigd geweest door: Mr. F. W. J. G. Snijder van Wissenkerke, directeur van het Bureau voor den industrieelen eigendom, Mr. L. J. Plemp van Duiveland, hoofdredacteur van de Nieuwe Courant, Herman Robbers, bestuurslid van de Vereeniging van Letterkundigen
en W. P. van Stockum, uitgever. Hoewel deze gedelegeerden slechts ad audiendum de zittingen der Conferentie bijwoonden, is toch hunne tegenwoordigheid te Berlijn niet zonder beteekenis geweest. Mr. Snijder van Wissenkerke legde er namens de Nederlandsche Regeering de verklaring af, dat deze onze aansluiting oprecht wenschte te
bevorderen, en dat het voornamelijk van de resultaten der Conferentie af zou hangen, of zij hierin binnenkort zou slagen [173]. De andere ter Conferentie vertegenwoordigde staten toonden van hun kant, dat zij hiertoe wenschten mee te werken. Het was ongetwijfeld voornamelijk
met het oog op ons land, dat in de herziene Conventie de bepaling werd opgenomen, die aan de staten, welke nog tot het Verbond wenschen toe te treden, daartoe de mogelijkheid opent, zonder dat zij gedwongen zijn alle hervormingen van Berlijn te aanvaarden. Dat onze Regeering het met haar voornemen ernstig meent, blijkt uit het in dit najaar verschenen Oranjeboek [174], waarin de indiening
van een wetsontwerp in uitzicht wordt gesteld, dat tot de toetreding van Nederland machtiging verleent. Zoo schijnt dus eindelijk dit vraagstuk zijne definitieve oplossing te naderen.
HOOFDSTUK II GRONDSLAG EN RECHTSKARAKTER § 1 Algemeen overzicht der verschillende theorieën In velerlei richtingen heeft men gezocht naar een wetenschappelijke verklaring en motiveering van het auteursrecht. De reeds in het tijdperk der privilegiën herhaalde malen uitgesproken overtuiging, dat de bescherming tegen nadruk haar grond moest vinden in het recht der geestelijke voortbrengers op hunne producten, leidde ertoe het auteursrecht te beschouwen als een eigendomsrecht. Dit denkbeeld vindt men reeds bij enkele Duitsche juristen uit de zeventiende eeuw
[175] en in Frankrijk o.a. in 1725 door Louis d'Héricourt [176] nader uitgewerkt. Later heeft de theorie van den letterkundigen of intellectuelen eigendom talrijke aanhangers gevonden en ook grooten invloed op de wetgevingen uitgeoefend. Voor wat ons land betreft behoef ik slechts te herinneren aan de Publicatie van het Provinciaal bestuur
van Holland van 1796 en aan de wet van 3 Juli 1803, die beiden een eeuwigdurend kopierecht toekenden. De theorie vond echter al spoedig van verschillende kanten heftige bestrijding; in Duitschland, waar
onder de voornaamste voorstanders Fichte, Hegel en Schopenhauer zijn te noemen, kon zij toch niet lang de heerschende blijven; in Frankrijk vond zij vooral in Renouard een gevaarlijken tegenstander; toch blijft men daar nog steeds spreken van propriété littéraire et artistique, en al heeft zich in wetenschap en wetgeving het auteursrecht als een van eigendom op zeer vele punten afwijkend recht ontwikkeld, het is nog wel iets meer dan de naam alleen, die daar van de oude theorie
is blijven voortbestaan [177]. Anderen hebben getracht, het auteursrecht niet als een absoluut recht, doch als een recht jegens personen, een relatief recht, te construeeren. Dit is de zoogenaamde contracts-theorie, volgens welke het verbod van nadrukken zou voortvloeien uit een stilzwijgend
beding, waardoor bij den koop van elk exemplaar van een boek de kooper gebonden zou zijn. Deze leer heeft zich echter nooit een eenigszins beteekenenden aanhang kunnen verwerven [178]. Weer anderen zagen in het auteursrecht niet een vermogensrecht, maar
een recht dat tot bescherming van den persoon diende; reproductie van iemands geestesproduct tegen zijn wil zou eene krenking der persoonlijkheid zijn. Als een van de eerste voorstanders dezer leer
zou men Im. Kant kunnen noemen, die met het oog op het auteursrecht een boek beschouwde als een rede tot het publiek, die zonder volmacht van den schrijver niet door een ander in het openbaar mag worden herhaald
[179]. In den laatsten tijd komen de theorieën, die uitsluitend of althans voornamelijk op de persoonsrechtelijke elementen van het auteursrecht den nadruk leggen, weer meer op den voorgrond [180]. Tegenover deze pogingen om toepasselijkheid van of analogie
met bestaande rechtsinstituten aan te toonen en zoodoende de auteursbescherming uit het gemeene recht te verklaren, werd door anderen aangevoerd, dat hier van een eigenlijk privaatrecht geen
sprake is, daar het auteursrecht bij geen der groepen subjectieve rechten kan worden ingedeeld. Zoo zag von Gerber in het auteursrecht niets anders dan een reflex van het wettelijk verbod van nadruk, waaraan geen subjectief recht der
auteurs ten grondslag kon worden gelegd [181]. Ook Jolly kwam tot de conclusie, dat er voor het recht der schrijvers geen andere juridische vorm was te vinden dan deze, dat de handeling waarmede er inbreuk op
wordt gemaakt (dus de nadruk) tot een delict wordt verklaard [182]. Anderen beschouwden het auteursrecht uitsluitend als een monopolie, met alle bezwaren die daaraan zijn verbonden, en meenden, dat het alleen daarom reden van bestaan had, omdat het het eenige middel was, om aan schrijvers en kunstenaars de vergelding voor hun arbeid
te verzekeren, die tot instandhouding van kunsten en wetenschappen noodzakelijk was. Dit is o.a. de leer van Macaulay, wiens zienswijze uit de volgende korte aanhaling uit eene door hem den 5den Februari
1841 in het Lagerhuis gehouden rede duidelijk blijkt: "It is desirable that we should have a supply of good books: we cannot have such a supply unless men of letters are liberally remunerated; and the least objectionable way of remunerating them is by means of copy right" [183].
Het belangrijkste van hetgeen in ons land aan theoretische beschouwingen over het auteursrecht is geleverd, dateert uit de jaren, toen de voorbereiding van de wet van 1881 aan de orde was. Een kort overzicht moge hiervan volgen. De beraadslagingen in het jaar 1862 in de Koninklijke Academie van Wetenschappen gehouden, aan wie door de Regeering was verzocht, haar oordeel over het door de Vereeniging ter bevordering van de belangen des Boekhandels ingediende wetsontwerp uit te spreken, leverden weinig
belangrijks op. Het hoofdbeginsel werd slechts door enkele leden aangeroerd en maakte "geen bepaald voorwerp van redetwist" uit [184]. Van meer gewicht was de vergadering der Nederlandsche
Juristen-Vereeniging in het jaar 1877 gehouden, waar de vraag aan de orde was gesteld: "Naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?" Er werden praeadviezen uitgebracht door Mr. N. de Ridder en Mr. J. Freseman Viëtor. Laatstgenoemde, die reeds elders zijne denkbeelden over dit vraagstuk
had uiteengezet [185], ontzegde schrijvers en kunstenaars alle recht op de vruchten van hun arbeid. Hij wilde het auteursrecht beschouwd zien als een soort privilegie, alleen steunende op het algemeen nut,
"op de noodzakelijkheid om schrijvers en uitgevers eenig voordeel te verzekeren, ten einde het uitgeven van boeken niet onmogelijk te maken" [186]. Zoo ook de tweede praeadviseur, Mr. N. de Ridder, die in aansluiting met hetgeen hij in zijn kort daarvoor verschenen proefschrift had gezegd, onder meer de volgende stelling formuleerde: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut, dat direct of analogice
den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde auteurs" [187]. Ook volgens dezen schrijver steunde de bescherming uitsluitend op het algemeen belang, hetgeen met economische beschouwingen, hoofdzakelijk aan Schaeffle ontleend, nader werd uitgewerkt. In denzelfden geest als de beide praeadviezen viel ook het oordeel
uit van de meerderheid in de vergadering der Juristen-Vereeniging. De theorie van den letterkundigen eigendom verwierf slechts negen van de negen en veertig stemmen. De door Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman ontwikkelde theorie: "dat
de arbeider recht heeft op het loon van zijn arbeid, en dat ieder, die zich zonder grond met eens anders loon verrijkt, verplicht is tot teruggave" werd verworpen met twee en veertig tegen zeven stemmen en de leer van het "stilzwijgend beding, hetwelk geacht moet worden bij
den verkoop van elk exemplaar in de bedoeling van partijen te hebben gelegen, krachtens hetwelk de kooper eigenaar wordt van het gekochte onder voorwaarde van het niet te zullen nadrukken en er niet toe te zullen bijdragen, dat het door anderen tot nadruk worde gebezigd" vond slechts één enkelen aanhanger.
Doch eene groote meerderheid (zes en dertig tegen tien stemmen en drie onthoudingen) verklaarde zich ten slotte voor de stelling: "dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende
reproductie moet worden gegeven" [188]. Op de beteekenis van dit votum kom ik zoo dadelijk nog terug. Dat er geen positief resultaat mede was bereikt, waardoor eenige klaarheid in het vraagstuk zou zijn gebracht, springt in het oog. Welke voorlichting kan er voor wetgever of rechter te vinden zijn in de wetenschap, dat een aantal rechtsgeleerden het auteursrecht "in het algemeen
belang" acht? Ook van andere zijde bleef hier te lande de zoo gewenschte juridische voorlichting op dit gebied ontbreken. De enkele schrijvers, die het waagden eene theorie te verkondigen, waarin het auteursrecht op een juridischen grond gebaseerd wordt, zooals Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, die in zijne
recht-op-loon-theorie een toepasselijk rechtsbeginsel meende te hebben gevonden [189], en Mr. G. Belinfante, die in een Themis-artikel [190] het recht der schrijvers uit den eigendom van het manuscript poogde af te leiden, vonden van verschillende zijden krachtige en doorgaans zóó afdoende bestrijding, dat er van hunne theorieën weinig overbleef [191].
Het scheen wel, alsof met de uitspraak der Juristen-Vereeniging het laatste woord in deze zaak gesproken was. In een opstel in het Rechtsgeleerd Magazijn van Mr. S. Katz [192] werd van de overwinning van Mr. Viëtors denkbeelden met ingenomenheid gewag gemaakt; het slot van dit opstel klonk niet geruststellend voor de auteurs:
"Ongetwijfeld zal de tijd komen, dat ook hier gebroken wordt met alle privilegies en alle monopoliën, en het voorbeeld der octrooien, hoeveel afwijkingen het oplevere, ook op 't gebied van 't auteursrecht zal worden toegepast" [193]. Doch bleef tegen afschaffing van alle auteursrecht volgens de groote meerderheid toch nog altijd "het algemeen belang" zich verzetten, gevaarlijker was de theorie in zake internationaal auteursrecht.
Dit bewees o.a. een artikel van Mr. J. D. Veegens in de Gids over onze aansluiting bij de Berner Conventie [194]. Na te hebben verklaard, dat geen der theorieën, die een rechtsgrond voor het auteursrecht
vindiceeren, hem bevredigt en dat derhalve het auteursrecht uitsluitend op overwegingen van algemeen belang steunt, gaat deze schrijver bij de bespreking der internationale bescherming aldus voort: "Behoort
men nu verder te gaan en ook eene internationale regeling van het auteursrecht te helpen verwezenlijken? M. a. w. behoort nadruk van werken, die in het buitenland zijn uitgegeven in Nederland te worden geweerd? Deze vraag zou onvoorwaardelijk bevestigend zijn te beantwoorden, indien een algemeen rechtsbeginsel van het auteursrecht was aan te wijzen. Dit is echter, gelijk U gebleken is,
naar mijne meening niet het geval". [195] Langs deze redeneering komt de schrijver dan tot de conclusie, dat onze wetgever aan vreemdelingen (auteurs van in het buitenland uitgekomen werken) de bescherming hier te lande dient te onthouden, omdat dit voor ons voordeeliger uitkomt.
Aan dezen raad heeft men zich--zooals bekend is--tot nu toe in ons land gehouden en bijna altijd vindt men bij degenen, die zich tegen het deelnemen van Nederland aan de internationale regeling van het auteursrecht verzetten, ditzelfde argument terug: het auteursrecht is geen recht dat juridisch vaststaat, derhalve kan de wetgever het aan den een onthouden en den ander toekennen, al naar mate het "algemeen
belang" hiermede gediend is. Wel zijn er ook in ons land verscheidene schrijvers geweest, die zich met de uitspraak "dat in het algemeen belang een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven" niet tevreden konden
stellen. Minister Modderman gewaagde reeds bij de verdediging van het wetsontwerp van den plicht des wetgevers om deze bescherming te verleenen en verklaarde het auteursrecht te beschouwen: "niet eenvoudig als product van utiliteit, maar als een recht sui generis" [196]; dr. Schaepman betoogde bij dezelfde gelegenheid in de Tweede Kamer, dat de wetgever het auteursrecht niet had te scheppen, maar dat het een bestaand, op redelijkheid en rechtvaardigheid steunend
recht was, waaraan door de wet slechts eene vormelijke en stellige uitdrukking moest worden gegeven; [197] en in sommige aan het auteursrecht gewijde monographieën worden naast het algemeen belang ook gronden van billijkheid en rechtvaardigheid aangevoerd en wordt er op gewezen, dat het auteursrecht in overeenstemming is met de in ons geheele privaatrechtelijke systeem gevolgde beginselen [198]. Doch het bleef meestal bij enkele algemeene opmerkingen; geen der genoemde schrijvers kwam er toe, zijne denkbeelden zoover uit te werken, dat men zou kunnen spreken van een rechtsleer van het auteursrecht. Zoo is dan in het algemeen de rechtswetenschap ten aanzien van
het auteursrecht in ons land meer afbrekend dan opbouwend te werk gegaan. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat geen der van ouds bekende rechtsregels en rechtsbegrippen hier toepasselijk was,
schenen velen met dit negatieve resultaat genoegen te nemen en verdere onderzoekingen overbodig te achten. Wel kan niemand ontkennen, dat het auteursrecht, zooals dat nu
eenmaal in de wet is geregeld, tot het privaatrecht behoort; doch men schijnt het toch nog steeds als iets buitenafs te beschouwen. In de voornaamste handboeken over ons burgerlijk recht vindt men er meestal slechts terloops eenige opmerkingen aan gewijd, die dan nog hoofdzakelijk moeten strekken om aan te toonen, dat het geen
eigendom is [199]; eene eigen plaats in het rechtssysteem keurt men het blijkbaar nog niet waardig. Vraagt men naar het juridisch karakter van het recht, tot welke groep van subjectieve rechten het behoort, dan maken sommigen zich er af door te antwoorden: het is een jus sui generis; eene verklaring, waaraan men natuurlijk niets heeft
en waarvan met een Fransch schrijver kan worden gezegd: "un pareil aveu est peu compromettant et laisse la question dans le même état" [200]; anderen voorzien het auteursrecht van het wel iets meer, maar toch nog te weinig zeggend étiquet: "absoluut vermogensrecht" [201].
Bleef dus ten onzent tot nu toe een gangbare rechtsleer van het auteursrecht ontbreken, in andere landen, en met name in Duitschland, hebben de rechtsgeleerden zich met gunstiger resultaat toegelegd op de taak, die hier nog te doen bleef: nl. door het formuleeren van vaste regels en het vormen van klare juridische begrippen in deze materie eenige orde te brengen, zoodat aard en omvang van dit recht, in overeenstemming met het rechtsbewustzijn stelselmatig kunnen worden vastgesteld en het in het rechtssysteem de plaats kan worden
aangewezen, die het naast andere subjectieve rechten toekomt. Verreweg het best is m. i. in dit opzicht geslaagd de Berlijnsche hoogleeraar dr. J. Kohler met zijne Immaterialgüterrechts-theorie. Evenals de theorie van den letterkundigen eigendom gaat deze leer van het beginsel uit, dat schrijvers en kunstenaars, die een origineel werk hebben voortgebracht, daarop een uitsluitend recht kunnen doen gelden. Dit wordt door Kohler aldus kort en krachtig geformuleerd: "Wer ein neues Gut schafft, hat
das natürliche Anrecht daran" [202]. Op dit beginsel voortbouwende construeert hij het auteursrecht als een recht op het geestelijk voortbrengsel. Naast de zaken in rechtskundigen zin hebben wij dus hier te doen met eene nieuwe categorie rechtsobjecten (Immaterialgüter),
die zich door hun eigenaardig karakter van de overige onderscheiden; de rechten op immaterieele goederen (Immaterialrechte), waartoe behalve het auteursrecht ook behoort de zoogenaamde industrieele eigendom, vormen een afzonderlijke groep absolute vermogensrechten, wel van de zakelijke rechten te onderscheiden. Waarom deze theorie, zoowel wat betreft de wijze, waarop de grondslag van het auteursrecht wordt aangegeven, als wat betreft de juridische
constructie, die aan het recht gegeven wordt, de voorkeur die ik haar boven andere theorieën meen te moeten geven verdient, zal ik in de volgende bladzijden trachten te motiveeren. Daarbij zal tevens gelegenheid zijn, de zienswijze van de voornaamste Nederlandsche schrijvers over dit onderwerp, die hierboven slechts met een enkel woord konden worden aangeduid, wat meer van nabij te beschouwen.
§ 2 Recht of doelmatigheid? In de eerste plaats staan wij voor de vraag, die Macaulay in zijne boven aangehaalde rede aldus formuleerde: "Is this a question of expediency or is it a question of right?" Hebben de auteurs recht op bescherming, of is het vraagstuk der auteursbescherming er een, waarbij met geen rechtsbeginsel behoeft te worden gerekend, waarin
dus alleen de doelmatigheid, "het algemeen belang", heeft te beslissen? Uit het in de vorige paragraaf gegeven overzicht is gebleken, dat de meeste Nederlandsche schrijvers de vraag in laatstgemelden zin hebben beantwoord en ik heb daar ook reeds kunnen wijzen op enkele conclusiën, die men gemeend heeft uit deze opvatting te kunnen trekken. Het schijnt
daarom niet onnoodig, aan hunne voornaamste argumenten eenige aandacht te wijden. Onder degenen, die dit vraagstuk het grondigst hebben behandeld, behoort ongetwijfeld mr. Freseman Viëtor. Om de opvattingen over auteursrecht van dezen schrijver op de juiste waarde te kunnen schatten, is het allereerst noodig te weten, dat hij behoort tot de school der utilitarianisten. Bij de beantwoording van de vraag,
of iets recht behoort te zijn, wenscht hij alleen de utiliteit, de doelmatigheid te laten beslissen, van "abstracte rechten", waarvoor om huns zelfs wille, afgescheiden van de gevolgen, erkenning wordt
gevraagd, wil hij niet weten [203]. Het ligt niet in mijne bedoeling--het zou mij trouwens ook te ver van mijn onderwerp afvoeren--deze zienswijze hier te bespreken; zoo aanstonds zal nog gelegenheid zijn over dit punt enkele opmerkingen te maken. Wanneer men nu echter weet, dat mr. Viëtor geen anderen grond voor het recht erkende dan de utiliteit, dan vraagt men zich af, wat zijne bedoeling ermede is geweest om dit ten aanzien van het
auteursrecht nog eens in 't bijzonder in het licht te stellen. Dat het auteursrecht alleen gegrond kan worden op het "algemeen belang" heeft het dan immers met alle andere rechten gemeen; dit behoeft daarom nog geen reden te zijn om het een privilegie te noemen, zooals
mr. Viëtor verscheidene malen doet. Naar eene verklaring, die op dit punt volkomen helderheid geeft, heb ik vergeefs gezocht. Wel schrijft mr. Viëtor, dat hij zijne nuttigheidsleer niet op alle rechten zonder uitzondering zou willen toepassen: "Er zijn sommige rechten wier al of niet handhaving ik niet van hunne nuttigheid zou willen laten afhangen. Geheel afgescheiden van de gevolgen zou ik ze willen handhaven" [204].
Om deze reden, en ook omdat het oordeel, of iets al dan niet nuttig is, niet onfeilbaar is, acht schr. een onderzoek "naar het al of niet rechtmatige van den intellectueelen eigendom, naar het al of niet
bestaan van eenig ander recht van schrijvers" [205] niet overbodig. Doch welken maatstaf mr. Viëtor heeft willen aanleggen bij zijn onderzoek naar den rechtsgrond van het auteursrecht, is niet geheel
duidelijk. Schr. erkent zelf dat hij niet zou weten "hoe het abstracte recht van den eigendom aan te toonen" [206], hoewel toch de eigendom behoort tot de rechten, wier al of niet handhaving hij niet van hunne nuttigheid wil doen afhangen. Toch weet hij eene motiveering voor den eigendom te vinden buiten de doelmatigheid om:
"Van den materieelen eigendom zie ik niet slechts het algemeen belang in, ik zie niet slechts die overtuiging algemeen gedeeld, maar ik meen een toestand, waarin die eigendom ontbrak, onmogelijk te kunnen heeten. Den eigendom kan ik niet wegdenken, of ik denk de geheele maatschappij weg. En aangezien ik nu geloof aan de harmonie tusschen recht en nuttigheid en daardoor reeds, zoodra iets algemeen
en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd, een zwaar vermoeden heb, dat het ook werkelijk nuttig en rechtvaardig is,--zoo durf ik hier van de onmogelijkheid van het niet bestaan van den
eigendom te concludeeren tot het recht, tot het waarachtig nut van dat instituut. Ik buig mijne knie voor het "fait accompli", dat zich niet "non accompli" laat denken. Het nut is hier, zooals Stuart Mill terecht zegt (Utilitarianism p. 79), zooveel grooter en zooveel tastbaarder, dat het verschil in graad een werkelijk verschil in soort wordt" [207].
Hiermede meende mr. Viëtor een grondslag voor den eigendom te hebben aangewezen, dien het auteursrecht moet missen. Het auteursrecht, meent hij, is niet noodzakelijk, het kan zeer goed weggedacht worden. "Dat niet het gemis van het recht, maar integendeel het recht zelf eene onmogelijkheid is, bewijzen trouwens de voorstanders van dat recht
zelf, door onder verschillende pretexten na een zekeren termijn of onder zekere omstandigheden er een eind aan te maken" [208]. Valt nu werkelijk, ook wanneer men alleen met de hier genoemde overwegingen rekening houdt, de vergelijking tusschen eigendom en auteursrecht zoozeer in het nadeel van laatstgenoemd recht uit, dat het mr. Viëtors conclusiën zou rechtvaardigen? Ik meen van niet. In de eerste plaats heeft het geen zin uit de tijdelijkheid van
het auteursrecht af te leiden, dat het niet bestaanbaar is. Dat het recht van den auteur niet ten allen tijde ten bate zijner erfgenamen kan blijven voortbestaan, heeft met de rechtmatigheid van het recht
zoolang het wél bestaat niet te maken; er zijn werkelijk geen pretexten noodig om dit te verklaren, zooals ik hieronder nog nader hoop uiteen te zetten. Het auteursrecht is niet alleen niet onbestaanbaar, maar het bestaat in alle beschaafde staten nu al meer dan een eeuw lang, in Engeland zelfs bijna twee eeuwen! En daarvóór had men dan toch de
privilegiën, die eene wel gebrekkige, maar toch in strekking vrijwel met het auteursrecht overeenkomende bescherming boden. Bijna met evenveel recht als van den eigendom kan men ook van het auteursrecht
zeggen, dat het "algemeen en in verschillende tijden als nuttig werd gequalificeerd". Dat de tijden, waarin men de noodzakelijkheid van het auteursrecht niet inzag, dichterbij liggen dan die waarin men geen eigendom kende, bewijst in dezen niets; het auteursrecht kreeg pas reden van bestaan na de uitvinding der boekdrukkunst, zooals ik
dat in mijn historisch overzicht heb trachten aan te toonen; dat men voor dien tijd, toen de nu in zwang zijnde exploitatie-middelen van geschriften en kunstwerken nog niet bekend waren, aan geen auteursrecht dacht, kan nooit als argument gelden tegen de noodzakelijkheid van dat recht in onze tegenwoordige maatschappij. En nu is het zeker waar, dat de eigendom veel meer dan het auteursrecht
met de bestaande maatschappij is samengeweven, zoodat men zich deze moeilijk zonder eigendom denken kan. Ik wil dan ook gaarne toegeven, dat aan het behoud van den eigendom oneindig veel zwaardere belangen zijn verbonden. Doch dit vindt zijn reden ook grootendeels hierin, dat iedereen zonder uitzondering er elk oogenblik persoonlijk mee in aanraking komt. Het auteursrecht daarentegen heeft betrekking
op verhoudingen, waarin slechts enkele klassen van personen (in het algemeen de auteurs en zij die hunne werken exploiteeren: uitgevers, tooneel- en orkest-directeuren enz.) worden betrokken. De meeste menschen hebben niet alleen zelf nooit auteursrecht gehad, maar ook
het gebod om het auteursrecht van anderen te eerbiedigen is voor hen persoonlijk van geen belang, daar zij zelfs de middelen missen om, gesteld dat zij dit wilden, op zulk een recht inbreuk te maken. De immaterieele goederen vormen slechts een uiterst kleine groep van rechtsobjecten in vergelijking met alles wat voorwerp is van eigendom, d. i. ongeveer de geheele stoffelijke wereld. Maar is dit nu een reden om de erkenning van het mijn en dijn op geestelijk gebied in beginsel van minder belang te achten?
Waar het bij het vergelijken van twee rechten, zooals hier gedaan wordt, op aankomt is niet, hoe groot de som is van de daarbij betrokken belangen, maar hoeveel ons aan de al of niet handhaving van het recht
in elk bijzonder geval gelegen is. Niet naar de breedte, maar naar de diepte moeten zij tegen elkander worden afgemeten.
En dan geloof ik, dat het verschil tusschen eigendom en auteursrecht niet zoo groot is, als mr. Viëtor het wilde doen voorkomen. Inbreuk op auteursrecht wordt--misschien niet door de groote menigte, die zich nooit zeer over deze zaken bekommerd heeft--maar wel door de
belanghebbenden en degenen die van de verhoudingen waar het hier om gaat eenig begrip hebben, evenzeer als een onrecht gevoeld als inbreuk op eigendom. En zoo opheffing van allen eigendom--gesteld dat dit mogelijk ware--de geheele maatschappij in wanorde zou brengen, omdat
ieder daarvan terstond de gevolgen zou ondervinden, afschaffing van het auteursrecht zou, naar evenredigheid van het aantal belanghebbenden, en binnen den kleinen kring, dien deze in de maatschappij vormen, niet tot minder ernstige gevolgen leiden. Ik meen met het voorgaande te hebben aangetoond, dat ook als men zich
op het utilistisch standpunt van Mr. Viëtor stelt, op diens conclusiën in zake het auteursrecht wel iets valt af te dingen. Doch het is nu noodig over die nuttigheidsleer zelve nog het
een en ander te zeggen. De aanleiding om in dezen zijn standpunt uiteen te zetten was voor Mr. Viëtor geweest een geschrift van Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman: Over de rechten der uitvinders [209]. De schrijver had hierin vooropgesteld, dat voor hem de vraag, of een of ander rechts-instituut al dan niet gehandhaafd diende te blijven, niet beslist was, wanneer hem was aangetoond dat de instandhouding van zulk een instituut niet bevorderlijk was voor het
algemeen belang. Allereerst moest gevraagd worden: wat brengt het Recht mee? Het antwoord op deze laatste vraag wordt niet beheerscht door motieven van nuttigheid of doelmatigheid; hier heeft het in het volk levende rechtsbewustzijn te beslissen; wat dit op een gegeven tijd voor recht houdt, moet gehandhaafd worden, omdat het recht is.
Tegenover deze opvatting stelde Mr. Viëtor, toen hij hetzelfde onderwerp ging behandelen, de zijne, waarbij hij weliswaar de scherpe tegenstelling tusschen recht en doelmatigheid, zooals die door de Savornin Lohman was afgeschilderd, verklaarde niet te aanvaarden, maar waarbij hij toch zeer beslist het volks-rechtsbewustzijn als
maatstaf verwierp. Vandaar dat in zijn onderzoek naar de al of niet rechtmatigheid van het auteursrecht het rechtsbewustzijn geheel buiten beschouwing wordt gelaten. M. i. is daardoor het betoog onvolledig
gebleven en in elk geval weinig overtuigend voor degenen, die des schrijvers uitgangspunt niet met hem gemeen hebben. Daar ik mijzelf ook tot deze laatsten moet rekenen, is eene korte verklaring op dit punt noodzakelijk.
Onder rechtsbewustzijn meen ik te moeten verstaan, naar de omschrijving die Prof. Hamaker daarvan niet lang geleden gegeven heeft: "...de eigenschap van den menschelijken geest, die hem tegenover andere menschen, niet om voor zich of voor anderen eenig doel te bereiken, maar zonder motief, bepaalde gedragslijnen doet in acht nemen" [210]. Het doet zich aan ons voor als een in den mensch werkende kracht, welke hem dringt tot het doen of nalaten van handelingen,
zonder dat de mogelijke gevolgen van de te volgen gedragslijn daartoe meewerken. Het rechtsbewustzijn van elk mensch is voorts te beschouwen als eene vrijwel standvastige grootheid, d. w. z. het reageert op gelijke omstandigheden steeds op gelijke wijze; bovendien ontdekt men bij vergelijking van de uitingen van het rechtsbewustzijn van verscheidene menschen naast enkele verschilpunten toch ook altijd eene groote
overeenkomst; juist ten aanzien der meer gewichtige levensbelangen zal de kring, waarin gelijkheid van rechtsbewustzijn wordt aangetroffen, het grootst zijn [211]. Men kan daarom in vele gevallen spreken van een volks-rechtsbewustzijn; wanneer nl. het rechtsbewustzijn van alle leden eener maatschappij zich op een gegeven tijdstip ten aanzien eener zaak ongeveer in gelijken zin uitspreekt.
Hoe nu dit verschijnsel van het volks-rechtsbewustzijn moet worden verklaard, laat ik in het midden; ook kan ik de vraag laten rusten, of aan zijne uitspraken in het algemeen eene absolute verbindende kracht moet worden toegekend. Waar ik hier slechts op wil wijzen is, dat het volks-rechtsbewustzijn, waar het zich laat gelden, een krachtigen en op den duur
onweerstaanbaren invloed op het recht uitoefent, en dat daarom zij, die, zooals de utilisten doen, dien invloed miskennen, grondslag en oorsprong van het recht slechts ten halve kunnen verklaren. Wel kan worden toegegeven, dat de uitspraken van het volks-rechtsbewustzijn in de meeste gevallen samenvallen met hetgeen in het algemeen belang
is, m. a. w. dat de beslissing, waartoe de groote meerderheid komt, geleid door haar intuïtief rechtsbewustzijn, meestal tevens blijkt met doelmatigheidsoverwegingen gemotiveerd te kunnen worden; maar dit is allerminst een reden, om alleen met deze laatsten rekening te houden en het volks-rechtsbewustzijn als een waardeloozen factor te verwerpen.
Er bestaan ongetwijfeld wettelijke regelingen, die door het rechtsbewustzijn niet worden geëischt of zelfs daarmede in strijd zijn; zoolang dergelijke bepalingen niet zijn afgeschaft, moet hetgeen zij voorschrijven ook gerekend worden tot het positieve bindende recht; doch het komt mij voor, dat men van weinig onderscheidingsvermogen blijk zou geven door ze om die reden op ééne lijn te stellen met rechtsinstituten, die wél in het rechtsbewustzijn hun grondslag vinden.
Na deze korte uitweiding, waarbij uit den aard der zaak de fundamenteele vraag waar het hier om gaat slechts zeer vluchtig kon worden aangeroerd, keer ik terug tot het auteursrecht. Wat ik nu in het algemeen tegen het betoog van Mr. Viëtor zou willen aanvoeren, is dat daarin over het auteursrecht gehandeld wordt, alsof dit eene instelling was, die het rechtsbewustzijn volkomen koud laat. Men krijgt daardoor den indruk--en dit is ook blijkbaar in overeenstemming met
de bedoeling van den schrijver--dat het auteursrecht niet anders is dan eene min of meer willekeurige en kunstmatige schepping van den wetgever, alleen gerechtvaardigd door het doel dat ermede wordt bereikt, nl. instandhouding van kunsten en wetenschappen en dat het dus zonder schade zou kunnen worden afgeschaft, indien er een ander middel
werd gevonden om schrijvers en kunstenaars aan het werk te houden, of indien men tot de overtuiging kwam, dat het spottende gezegde van Heine waarheid bevat: "Autoren und Mispeln gedeihen am besten, wenn sie einige Zeit auf dem Stroh liegen" [212].
Indien het zoo met het auteursrecht stond, dan zou evenmin van een recht der auteurs kunnen worden gesproken als van een recht van een of andere stoomvaartmaatschappij op eene subsidie uit de staatskas; dan zou men het auteursrecht geheel op ééne lijn kunnen stellen met instellingen als b.v. een staats-monopolie voor den tabaksverkoop of een wettelijk verbod van invoer voor bepaalde waren [213]. Doch het groote verschil, dat m. i. niemand zal kunnen ontkennen, ligt hierin, dat de verkoop van tabak en de invoer van goederen door niemand voor onrechtmatig worden gehouden zoolang de wet, die deze
handelingen verbiedt, niet in werking is getreden. En daarom zal men een dergelijke wet, ook al wordt hare doelmatigheid niet in twijfel getrokken, toch steeds blijven beschouwen als eene min of
meer willekeurige beperking der natuurlijke vrijheid; overtreding van hare bepalingen zal iemand door de openbare meening nooit bijzonder zwaar worden aangerekend. De oorzaak hiervan is volgens Kohler, aan wien ik dit voorbeeld heb ontleend: "...dasz diese Rechtsschöpfungen nur artifizieller Natur sind, dasz sie nicht an sich schon in dem
Rechtsgefühl, in der Ueberzeugung des Volkes wurzeln, dasz sie, wie überhaupt artifizielle Schöpfungen, sich nicht mit derselben Naturgewalt aufdrängen, wie die, ich möchte sagen, naturwüchsigen,
auf unmittelbarer natürlicher Initiative beruhenden Rechte". Dat nu ook het auteursrecht, evenals de eigendom, zulk een "naturwüchsiges Recht" is, al heeft het dan natuurlijk als bodem waarop het kan groeien, noodig eene maatschappij, die al een goed einde in beschaving is gevorderd, kan m. i. niet worden ontkend. Kohler wijst, om dit aan te toonen, op de talrijke uitlatingen waarin de nadruk als iets onrechtmatigs wordt gebrandmerkt, in tijden, dat van
auteursrecht nog geen sprake was. Zoo reeds de door vele schrijvers aangehaalde woorden van Luther uit het jaar 1525: "Was soll das doch sein, meine lieben Druckerherrn, dasz einer dem andern so offentlich raubt und stilt das seine und unter einander euch verderbt? Seid ihr nu Straszenräuber und Diebe worden?..." enz. Kohler voegt hieraan toe: "Wenn Jemand so über den Tabakhandel sich äuszerte, auch wenn man am
Vorabend des Monopols stünde, so würde man nur ungläubig die Köpfe schütteln--das ist eben der Unterschied zwischen den naturwüchsigen und den artifiziellen Rechtsnormen" [214].
Behalve dit eene voorbeeld worden door Kohler talrijke getuigenissen aangehaald uit de privilegiën-periode, waaruit blijkt dat men den nadrukker beschouwde als iemand, die zich aan eens anders goed vergrijpt [215]; in zijn Idee des geistigen Eigenthums [216] heeft hij bovendien aangetoond, hoe dit rechtsbewustzijn in den loop der jaren luider en duidelijker is gaan spreken en hoe zich langzaam maar zeker heeft ontwikkeld die "Idee des geistigen Eigenthums", d.w.z. het denkbeeld, dat de auteur recht heeft op hetgeen hij heeft
voortgebracht, dat hij het het zijne kan noemen. Nu heb ik er wel in mijn historisch overzicht op moeten wijzen, dat die gedachte in ons land langeren tijd noodig heeft gehad om ingang te vinden; de uitingen van het rechtsbewustzijn in dezen zin, die ik uit dien tijd heb kunnen vinden, zijn ontegenzeggelijk vrij schaarsch,
doch geheel ontbreken zij toch niet. Ik kan hier b.v. verwijzen naar de--boven reeds genoemde--voorrede van Poot voor den tweeden druk zijner gedichten, waarin hij zich o.a. aldus uitlaat: "...van der Boekdrukkers Kopyrecht wist ik niet, en meende toen, gelyk ik ook nogh meen, en misschien nogh lang sal blyven meenen, ten zy men my anders onderrechte, dat de eigendom der Kopye en het vaderrecht des geheelen werks, zonder verkoopen of overdragt, myn bleef."
Waarschijnlijk bestaan er wel meer getuigenissen van dezen aard uit de zeventiende en achttiende eeuw; in elk geval zal Poot wel niet alleen hebben gestaan met zijne opvatting over den band, die tusschen den schrijver en zijn werk bestaat, en welken hij zoo eigenaardig noemt "het vaderrecht"; anderen vonden misschien geene aanleiding, hunne gevoelens op dit punt te publiceeren ofwel hetgeen zij hierover schreven is ons niet bewaard gebleven. Doch hoe dit ook zij, ten slotte vond ook in ons land "die Idee des geistigen Eigenthums" ingang, al ging dat dan niet zoo geleidelijk als in andere landen. En dat in onzen tijd door belanghebbenden het auteursrecht niet wordt beschouwd als een buitenkansje, dat den auteurs toevallig ten deel valt omdat het algemeen belang dit
zoo wil, maar als hun goede recht, dat evenveel aanspraak heeft om beschermd en gehandhaafd te worden als de eigendom, daarvan kan men herhaaldelijk de bewijzen zien. Wel heeft het lang geduurd, voordat het rechtsbewustzijn ontwaakte en voordat de auteurs hier te lande
inzagen, dat ook voor hen een Kampf um 's Recht te voeren is, niet alleen om te verdedigen wat zij hebben, maar ook om te verkrijgen wat zij meenen dat hun rechtmatig toekomt. Doch in de laatste jaren is hierin verandering gekomen. In dagblad- en tijdschriftartikelen, in adressen aan de Tweede Kamer komen schrijvers en kunstenaars op voor hunne rechten; een Vereeniging van Letterkundigen is opgericht voornamelijk met het doel het auteursrecht harer leden te beveiligen, een Berner Conventie Bond om onze toetreding tot de internationale Unie te helpen bevorderen. Deze geheele beweging kan niet verklaard worden uitsluitend als een strijd om materieele belangen; wat haar gaande
houdt, wat daaraan ook personen doet deelnemen die er geen persoonlijk belang bij hebben, is niet anders dan het rechtsbewustzijn dat niet kan gedoogen, dat geschriften en kunstwerken straffeloos geëxploiteerd worden tegen den wil der auteurs. En het is wel eigenaardig hierbij op te merken, dat de auteurs steeds blijven spreken van hun eigendom,
ondanks alle moeite, die de juristen zich hebben gegeven om aan te toonen, dat er hier van eigendom geen sprake kan zijn; Nederland wordt een roofstaat genoemd omdat het niet bij de Berner Conventie is aangesloten; wie zich zonder toestemming des auteurs aan zijn
werk vergrijpt, ook al valt hij niet onder de termen der auteurswet, heet een dief en een onzer meest bekende schrijvers beklaagt zich in een Open Brief aan Z.E. den Minister van Justitie over de onvoldoende
bescherming onzer wet o.a. in deze duidelijke termen: "Excellentie, ik word begapt!" [217] Tegenover al deze uitingen gaat het m. i. niet aan, te blijven spreken van het auteursrecht als van een privilegie, dat alleen steunt op het algemeen belang. Ook al erkent men, zooals Mr. Freseman Viëtor,
het volks-rechtsbewustzijn niet "als rechter in hoogste ressort", kan men toch niet blind blijven voor het verschil tusschen de kunstmatige scheppingen van den wetgever, waarvan hierboven sprake was, en eene natuurlijke instelling als deze, welke den auteurs niets anders
toekent dan hetgeen hun volgens ieders oordeel toekomt en welke niets anders verbiedt, dan wat ook zonder wettelijk verbod voor onrecht wordt gehouden.
Wat nu de overige beschouwingen van mr. Freseman Viëtor over de rechtmatigheid van het auteursrecht betreft en van diegenen zijner medeleden in de Juristen-vereeniging, die met hem voor "het algemeen belang" stemden, daarvan kan nog in het kort het volgende worden gezegd.
Hunne betoogen strekken allen om te bewijzen, dat er geen rechtsbeginsel aan de bescherming der auteurs kan worden ten grondslag gelegd, maar dat het algemeen belang meebrengt dat deze bescherming worde verleend. Het is echter niet altijd duidelijk wat hier wordt bedoeld met de tegenstelling recht en algemeen belang. Nu eens
schijnt het, dat men alleen wil bewijzen, "dat de schrijver.... zonder positieve wetsbepalingen niet tegen den namaak (zou) kunnen ageeren op grond van algemeene rechtsbeginselen" [218]; dan weer heet het: "er is geen rechtsbeginsel dat den Staat kan nopen schrijvers en kunstenaars de rechten van hun arbeid te verzekeren" [219]; mr. de Ridder stelt, dat "uit oorzaak der toestanden in het vrij verkeer"
de auteurs in het verwerven van hun loon niet kunnen slagen en zijne tweede stelling is: "Daar is ook geen enkel rechtsinstituut dat direct of analogice den rechter door toepassing, den wetgever door uitbreiding dienen kan als middel ter bescherming van bedoeld vermogens-interesse der bedoelde auteurs" [220]. Mr. Levy eindelijk redeneert aldus:
"Het auteursrecht is geen persoonlijk recht, want het raakt den staat des persoons niet; evenmin is het een vermogensrecht, wijl het dan zou moeten behooren tot de klasse van eigendom, en dit werd
nog niet aangetoond" [221]. En hieruit volgde, naar dezen spreker, dat aan het auteursrecht geen "civilistische grondslag" tot basis kon worden gegeven, zoodat er niets anders overbleef dan het te gronden op economisch-politische overwegingen (dus: "het algemeen belang"), waarvan trouwens mr. Levy evenmin iets wilde weten. De vraag, waarop een antwoord moest worden gegeven, luidde: "Naar welk
hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?" En nu meen ik dat de conclusie, waartoe bovengenoemde schrijvers met de meerderheid hunner medeleden kwamen, dat nl. de Staat daarbij geen rechtsbeginsel, doch slechts het algemeen belang had te volgen, voor tweeërlei uitlegging vatbaar is of liever in twee verschillende stellingen gesplitst kan worden, welke ik aldus zou willen formuleeren:
1. Zonder speciale wetsbepalingen, die hun dit uitdrukkelijk toekennen (dus: zonder de wet op het auteursrecht) zouden schrijvers en kunstenaars geen recht kunnen doen gelden op het product van hun arbeid.
2. Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen. De eerste stelling is de vrucht van een onderzoek naar ons geldend recht (waaruit de bijzondere wetsbepalingen, die het punt in kwestie regelen, voor een oogenblik zijn uitgeschakeld); er wordt
in verklaard, wat hier te lande rechtens zou zijn, indien er geen wet op het auteursrecht bestond. De tweede stelling betreft de wetenschappelijke verklaring van het auteursrecht; zij drukt uit,
dat de rechtswetenschap het auteursrecht niet kent, dat er in het rechtssysteem voor dit recht geen plaats is. Dat de onderscheiding, welke ik hier heb pogen aan te geven, door de leden der Juristen-Vereeniging niet altijd goed in het oog is gehouden, is waarschijnlijk vooral te wijten aan de theorieën, die zij bestreden en wel in 't bijzonder aan de theorie van den
letterkundigen eigendom. Uit de beschouwingen van de voorstanders dezer leer is ook niet altijd na te gaan, of zij alleen bedoelen het auteursrecht, zooals dat door de wet wordt verleend, te construeeren als een uitsluitend recht op het geestesproduct, waaraan dan naar analogie met de rechten op stoffelijke goederen den naam eigendom
wordt gegeven, dan wel of zij den auteur werkelijk beschouwen als eigenaar van zijn product volgens ons burgerlijk wetboek. Het komt mij wenschelijk voor deze twee vragen scherp uit elkander te houden; daarom wil ik de beide bovenstaande stellingen afzonderlijk bespreken.
Indien wij geene speciale wettelijke regeling van het auteursrecht hadden, zou--hierover zal ieder het wel eens zijn--het eenige rechtsmiddel voor de auteurs om zich tegen exploitatie hunner werken door derden te verzetten, zijn de actie van art. 1401 B. W. De vraag, waarop de eerste stelling een antwoord geeft, komt dus hierop neer,
of nadruk (genomen in de ruime beteekenis van inbreuk op auteursrecht) zou zijn een onrechtmatige daad in den zin van dit artikel. Zooals bekend bestaat er onder de juristen geen eensgezindheid omtrent de beteekenis van den term "onrechtmatige daad"; zonder mij in de discussie hierover te mengen schijnt het mij voldoende te verklaren, dat ik mij schaar onder degenen, die aan deze uitdrukking eene ruime uitlegging geven. Volgens deze opvatting pleegt men een onrechtmatige daad door anders te handelen "dan in het maatschappelijk verkeer den
eenen mensch tegenover den ander betaamt, anders dan men met het oog op zijne medeburgers behoort te handelen" [222]. Na de hierboven gehouden beschouwingen behoeft het wel geen betoog meer, dat de daad van hem, die zonder toestemming van den auteur diens werk exploiteert, een onrechtmatige is in dezen zin. Of eene handeling
den eenen mensch tegenover den ander in het maatschappelijk verkeer al dan niet betaamt, of zij rechtmatig is of onrechtmatig, daarover kan alleen het rechtsbewustzijn beslissen en wij hebben gezien, hoe krachtig dit in het algemeen tegen nadrukkers en consorten reageert.
Ik kom dus tot de slotsom, dat ook zonder wet op het auteursrecht de auteurs eene actie tot schadevergoeding zouden hebben tegen degenen, die zonder hunne toestemming hunne werken zouden hebben nagedrukt, uit- en opgevoerd enz. Hiermede is natuurlijk allerminst gezegd, dat zij eene even volledige bescherming zouden genieten als nu en dat dus de wet op het auteursrecht overbodig zou zijn. Hoever deze
bescherming zich zou kunnen uitstrekken en--wat hier ook gevraagd kan worden--hoever in onze jurisprudentie die bescherming waarschijnlijk zou zijn uitgestrekt, wil ik in het midden laten. Waar ik slechts op heb willen wijzen is, dat er geene speciale wetsbepaling noodig is,
om de onrechtmatigheid van den nadruk uit te spreken. Zooals ik de kwestie hier gesteld heb, is zij door geen der schrijvers met wie ik mij nu bezighoud, behandeld, hoewel toch de ruime uitlegging van art. 1401 B. W. ook toen reeds hare aanhangers vond [223]. Mr. Freseman Viëtor betoogt wel, dat de auteurs zich niet op art. 1401
zouden kunnen beroepen, doch hij motiveert deze meening niet anders dan door--met blijkbare instemming--eene zinsnede, die Mr. Lohman zich had laten ontvallen aan te halen: "dat het kopijrecht "de rechten van derden, de natuurlijke vrijheid van den mensch" verkort,
"het recht namelijk om boeken te drukken"" [224]. Het antwoord hierop kan kort zijn. Er bestaat geen "recht om boeken te drukken" evenmin als een recht om sigaren te rooken of een recht om aardappels te eten. Er bestaat slechts vrijheid om deze handelingen te verrichten, zoolang het recht ze toelaat. Maar "natuurlijke vrijheid" moet niet opgevat worden "in den zin van het recht om alles te doen wat men wil, mits het
maar niet door de wet uitdrukkelijk verboden is, maar veeleer in dien van het recht om niet in onze eer persoon of vermogen aangetast of beschadigd te worden, in dien van het recht op eerbiediging van onze persoonlijkheid, van onze goederen, van onzen arbeid." "Alleen de vrijheid dus opgevat"--voegt prof. Molengraaff, aan wien ik deze woorden ontleen, hieraan toe--"mag gezegd worden geen erkenning noodig te hebben om te gelden, maar een verbod om niet te gelden" [225].
Ik meen dus, dat de eerste der door mij geformuleerde stellingen geen waarheid bevat. Maar wat ik bovendien zou willen opmerken, is dat deze stelling met het vraagstuk, waarmede ik mij bezighoud slechts in verwijderd verband staat. Alleen voor degenen, die de
bovengenoemde ruime interpretatie van art. 1401 B. W. huldigen, is zij waard bediscussieerd te worden; de strijd gaat dan echter niet om wat de stelling uitdrukt maar om de vraag--hierboven reeds
toestemmend door mij beantwoord--of eerbiediging van de rechten der auteurs, ook indien de wet daartoe niet uitdrukkelijk verplicht, als een plicht wordt beschouwd en krenking ervan als een onrecht. En dit is ten slotte de vraag, waar het hier op aankomt. Is men het
hierover maar eens, dan kan nog gestreden worden over de vraag, welke wetsbepalingen er noodig zijn om dit recht door ieder te doen eerbiedigen, doch hiermede komt men op een ander terrein: met den grondslag en het rechtskarakter van het auteursrecht heeft dit niet
te maken. Elk recht moet ten slotte, om afdwingbaar te zijn, direct of indirect op de wet kunnen worden gesteund en in het algemeen kan worden gezegd, dat eene wet op het auteursrecht even onontbeerlijk is voor de auteurs als bijvoorbeeld de artikelen in ons burgerlijk wetboek, die over den eigendom handelen, dat zijn voor de eigenaars.
De tweede stelling heb ik aldus geformuleerd: "Het auteursrecht is niet vatbaar voor juridische constructie, daar het onder geen der in de wetenschap bekende rechtsfiguren is te brengen." Er is niets tegen in te brengen, indien men aanneemt, dat de rechtsbegrippen, die de Romeinsche juristen ons hebben nagelaten, eens en voor altijd zijn vastgesteld en dat wij daarmede voor alle tijden toekunnen. In de
tijden, dat de Romeinsche juristen zich bezighielden met het vormen van rechtsbegrippen en het formuleeren van rechtsregels bestonden de middelen van exploitatie van geschriften en kunstwerken, waardoor het auteursrecht noodzakelijk is geworden, nog niet. Het behoeft daarom niet te verwonderen, dat men, alleen door logische redeneering uit deze begrippen en regels, geen antwoord kan vinden op de vraag, of het iemand vrijstaat een anders boek na te drukken of reproducties van een anders schilderij of teekening te vervaardigen. Pogingen in deze richting zijn genoeg beproefd: men probeerde uit het eigendomsbegrip
de bevoegdheden der auteurs te deduceeren; sommigen brachten er zelfs de specificatio bij te pas; anderen trachtten de verplichting om zich van exploitatie van een geschrift of kunstwerk te onthouden als een verbintenis voortvloeiend uit een stilzwijgend beding te construeeren;
ook de theorie van de Savornin Lohman steunde gedeeltelijk op een Romeinschen rechtsregel: "nemo cum damno alterius locupletior fieri debet." Doch geen dezer theorieën is steekhoudend gebleken; het auteursrecht liet zich langs dezen weg niet "bewijzen". Dit is door de meeste Nederlandsche schrijvers over 't auteursrecht en in 't bijzonder door de meerderheid in de reeds meermalen genoemde vergadering der
Juristen-Vereeniging ook zoo ingezien; het grootste gedeelte hunner beschouwingen strekte juist, om de onhoudbaarheid van de zoogenaamde »juridische" theorieën aan te toonen. Dat zij hierin zijn geslaagd, wil ik gaarne toegeven, hoewel niet alle argumenten, welke daarbij
dienst deden, mij even juist voorkomen. Doch het behoeft nauwlijks te worden gezegd, dat daarmede nog niet was bewezen, dat het auteursrecht alleen op utiliteits-motieven kan worden gebaseerd; dat het eigenlijk geen recht is, waarop de auteurs aanspraak kunnen maken, maar een privilegie, om redenen van "algemeen belang" (d.i. instandhouding van kunsten en wetenschappen) hun verleend. Toch schijnen sommigen
dit te hebben gemeend. "Es giebt eine Jurisprudenz die in einem Rechte, das sich nicht romanistisch konstruiren lässt, kein gutes Recht zu sehen vermag"
[226]. Deze opmerking van Gierke schijnt mij hier min of meer toepasselijk. Reeds uit de wijze, waarop het aan de leden der Juristen-Vereeniging voorgelegde vraagpunt was geredigeerd valt de begripsverwarring, waar Gierke op doelde, eenigszins te
constateeren. De volgorde der vragen was zoodanig, dat eerst de verschillende pogingen om het recht "romanistisch" te construeeren aan het oordeel der vergadering werden onderworpen; voor het geval geen dezer constructies bevredigend zou blijken, had men tenslotte
een vierde vraag opgesteld: of in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven? Alsof er, na het ontkennend beantwoorden van de eerste vragen, van recht of onrecht geen sprake meer behoefde te zijn en alleen over de meerdere of mindere doelmatigheid nog beslist behoefde te worden. En zoo was ook de redeneering van Mr. Levy, die ik boven reeds vermeldde: het
auteursrecht is geen zakelijk recht, geen persoonlijk recht, dus: het is geen privaatrecht; en daar Mr. Levy evenmin het algemeen belang ervan inzag, bestond er volgens hem geen enkele grond
voor de auteursbescherming en diende de geheele instelling dus te vervallen. Aan een beroep op het rechtsgevoel en de historische ontwikkeling van het auteursrecht werd nauwelijks eenige aandacht gewijd [227]; trouwens wat het laatste betreft mag worden betwijfeld,
of de heer Levy daarvan wel ooit eenige studie had gemaakt. Toen hij, ongeveer twintig jaar later, zijne opvattingen over het "zoogenaamd auteursrecht" nog eens ontvouwde, voegde hij daaraan toe: "Deze mijne bedenkingen dagteekenen reeds van 1877 en vroeger. Naar rechten evenwel hebben zij thans nog slechts theoretische waarde (of onwaarde). Sedert 1881 bezitten wij eene wet op het auteursrecht". [228] Van de
wettelijke erkenning van dit recht in ons land vóór 1881 scheen deze schrijver dus niet te hebben geweten. Wat nu de stelling betreft, "dat in het algemeen belang door de wet een recht tot uitsluitende reproductie moet worden gegeven," welke tenslotte de conclusie moest uitdrukken, waartoe de meerderheid
der vergadering na de gehouden besprekingen was gekomen, een positief resultaat was daarmede, zooals ik reeds heb opgemerkt, niet bereikt. Indien men onder "algemeen belang" dient te verstaan doelmatigheid, utiliteit (dus: expediency, zooals Macaulay deze
tegenover right stelde), dan had men mogen verwachten, dat de stelling met andere argumenten was gestaafd, dan nu het geval was. Dat men het auteursrecht juridisch niet kon verklaren, dat men er geene plaats voor wist te vinden in het rechtssysteem, bewijst in dezen niets; evenmin de bewering, dat het auteursrecht, om bindend te zijn, op positieve wetsbepalingen moet berusten. Vat men de stelling niet in de bovengenoemde enge beteekenis op, dan is zij al een bijzonder
weinig zeggend antwoord op de vraag, die was gesteld, n.l.: "naar welk hoofdbeginsel moet de Staat de rechten van schrijvers en kunstenaars op het product van hun arbeid regelen?" Het is een antwoord, dat eigenlijk gelijk staat met de erkenning, dat de rechtswetenschap hier
geen voorlichting weet te schenken. Uit juridisch oogpunt is het resultaat, waartoe de Juristen-vereeniging kwam, dus niet anders te noemen dan negatief; men bepaalde zich tot het bestrijden en afkeuren van de voorgestelde theorieën, zonder iets
anders daarvoor in de plaats te stellen. Doch wat men met behulp der rechtswetenschap niet had weten te bereiken, meende men gevonden te hebben in de economie. In zijn
prae-advies schreef mr. de Ridder: "...al moeten we ook met een zucht afzien van elke poging om een toepasselijk rechtsbeginsel te vinden, wij kunnen den wetgever een beginsel bieden uit die wetenschap, welke de toestanden en verhoudingen van het verkeer onderzoekt en de leemten daarin aanwijst, een beginsel, dat, zoo de wetgever zich leent tot deszelfs doorvoering, hem tevens zal houden in het rechte spoor,
dat der sociale behoeften" [229]. Over de economische theorieën, en speciaal die van Schaeffle, welke mr. de Ridder op het oog had, zal ik in de volgende paragraaf spreken. Hier kan reeds worden opgemerkt, dat economische beschouwingen, hoe belangwekkend zij ook mogen zijn, toch nooit de
plaats van een rechtsleer kunnen innemen. Er was hier behoefte aan een scherp geformuleerd rechtsbeginsel, waarop het auteursrecht kon worden gebaseerd en aan een klaar juridisch begrip van dit recht. Toen men tot de conclusie was gekomen, dat in den ouden voorraad rechtsregels en rechtsbegrippen niets was te vinden, dat voor het auteursrecht kon dienen, had men niet "met een zucht" van alle verdere pogingen
in die richting mogen afzien, om zijn heil te gaan zoeken in de economie. Het recht bestaat niet terwille van de rechtswetenschap, maar het is de taak van deze laatste alles wat zich als recht voordoet te
verklaren. En wanneer dus voor een recht geen plaats blijkt te kunnen worden gevonden in het bestaande rechtssysteem, dan zal men dit laatste hebben te herzien, zoodat de plaats worde gemaakt. Doch nooit mag de